Ratafia

Waarschijnlijk woont u het hele jaar in het hetzelfde huis, een paar weken vakantie daargelaten. In de winter betrekt u geen grachtenpand in de grote stad om bij het aanbreken van de zomer al uw spullen weer in te pakken en te verkassen naar het landhuis waar uw familie al eeuwen zomert. Als u in de zomer uw comfortabele huis al verlaat, is dat voor iets dat u moet uitvouwen en waar u de wc met onbekenden moet delen.

Ja, de tijden zijn veranderd. Het hebben van een landgoed is tegenwoordig ook niet meer te betalen, tenzij u Van Oranje heet. Veel zijn er in de afgelopen eeuw verkocht aan bijvoorbeeld Natuurmonumenten of hotelketens. Wie er nog wel één heeft, brengt het onder in een stichting, stelt het park open voor zondagse wandelaars en maakt de grote zaal beschikbaar voor andervrouws droombruiloft.

Een huis dat, weliswaar onder bovenstaande constructie, nog wel steeds bewoond wordt door de familie die in het bouwde, is Huys ten Donck in Ridderkerk. Daar resideert nog altijd een verre nazaat van Otto Groeninx van Zoelen, burgemeester van Rotterdam. Deze Otto, de zoon van Cornelis Groeninx en Catharina van Zoelen, sloopt in 1746  het oude kasteeltje dat op het landgoed van zijn moeders familie staat en bouwt er een een zomerresidentie voor zijn familie.

Via Otto’s zoon Cornelis belandt het buitenhuis in 1791 in handen van kleinzoon Otto Paulus. Hij is getrouwd met Catharina van Staveren, de dochter van de heer van Herkingen en Roxenisse. Otto Paulus, die net als zijn vader, opa en overgrootvader carrière in de Rotterdamse politiek maakt, had geen beter huwelijk kunnen sluiten. De band met Catharina´s familie verstevigt zijn politieke positie en omdat Catharina enig kind is, erft zij haar vaders hele vermogen.

Maar in 1795 verandert alles. De politieke verhoudingen beginnen te verschuiven en de 28 jarige Otto Paulus verliest zijn functie als secretaris van de stad Rotterdam. Hij behoort, ondanks zijn jeugdige leeftijd, tot de oude garde die door de patriotten wordt verdreven. Ook in zijn eigen Ridderkerk wordt hem zijn politieke macht ontnomen. Het landgoed en de rest van zijn bezittingen mag hij houden.

Het tij lijkt te keren als Lodewijk Napoleon Koning van Holland wordt. Otto Paulus wordt benoemd tot maire van Ridderkerk. Maar wanneer de Franse troepen in 1810 heel Nederland in bezit nemen, keert Otto Paulus zich weer af van de politiek. Hij maakt met zijn gezin een lange rondreis door Europa. Pas als de Fransen definitief uit Nederland zijn verdreven, keert hij terug in de gemeenteraad.

Als dank voor zijn trouw aan het huis van Oranje wordt Otto Paulus in 1815 in de adel verheven. In 1832 krijgt hij de erfelijke titel baron.
Zijn band met de nieuwe Koning Willem I doet Otto Paulus besluiten Rotterdam te verruilen voor Den Haag. Hij wordt lid van de Tweede Kamer en woont vanaf 1825 op het Lange Voorhout. De zomers worden echter nog ieder jaar doorgebracht op Huis ten Donck. En met het fruit uit de tuin maakt Catharina ieder jaar Ratafia.

Recept

Recept Ratafia

Ratafia is een alcoholische drank die niet erg bekend is. Ze wordt gemaakt door alcohol, kruiden en suiker toe te voegen aan druivensap dat net begint te gisten. Maar ander fruit kan ook. Uw Archiefkok heeft recepten gevonden voor Ratafia van sinaasappel, van perzikpitten, van morellen en van kweeperen. Voor de versie van Catharina van Staveren heeft u kersen (het liefst krieken en morellen, maar gewone kersen kan ook) en frambozen nodig.

  • Brandewijn: 4 stoop (4,8l)
  • Witte wijn: fles (0,8 l)
  • (Regen)water: bierglas (0,6 l)
  • Verse kersen (ontpit): 8 pond (3840 gram)
  • Verse frambozen: 6 onbekende inhoudsmaat
  • Suiker: 4 pond (1920 gram)
  • Kaneelstokjes, acht kruidnagels en een kwart muskaatnoot
  • Afsluitbare kannen, kruiken of voorraadpotten

Over de brandewijn heb ik lang nagedacht. Omdat we echt drank maken, mag het geen inmaakbrandewijn zijn en er is weinig neutrale brandewijn te koop. Het meeste heeft al een smaakje. Bovendien wordt de meeste brandewijn tegenwoordig op chemische wijze geproduceerd. Uiteindelijk kwam ik via de Engelse vertaling van brandewijn, brandy, op cognac uit. Net als de originele brandewijn gemaakt van wijn en met een vergelijkbaar alcoholpercentage.

Aan de slag

Ingredienten Ratafia          IMAG1989

Catharina maakte aan het einde van de zomer een flinke voorraad Ratafia. Het bovenstaande is goed voor ruim zes liter drank. Nu lust uw Archiefkok graag een drankje, maar ik heb het toch iets bescheidener aangepakt en bovenstaande ingrediënten door drie gedeeld. Voor de onleesbare hoeveelheid frambozen heb ik ook pond ingevuld.

Omdat in dit recept geen werkwijze staat, alleen ingrediënten, ben ik even te rade gegaan bij een aantal andere gevonden recepten voor Ratafia. Daaruit blijkt al snel: er is geen werkwijze. Waar het op neer komt is dat u alle ingrediënten in een grote pot stopt, de deksel goed dicht doet en de pot zes weken op een zonnige plek in de woonkamer zet. In die zes weken lossen de suiker en de frambozen op en neemt de drank de smaak van het fruit en de kruiden aan. Zet de pot wel buiten bereik van kinderen en huisdieren, dit wilt u niet hoeven opdweilen.

Aan tafel

Ratafia

Wie dit drankje eind augustus maakt, van de laatste kersen, heeft het goed begrepen. Want diegene heeft, als de temperatuur begint te dalen en de avonden langer worden, de perfecte troost in de vensterbank staan. Een glaasje Ratafia en die natte sokken zijn meteen vergeten. Het smaakt naar zomer en herfst tegelijk. En de alcohol brandt prettig in de keel.

Ook een goed idee: serveren bij een feestje. Even in een mooie schaal doen (misschien heeft iemand die de jaren tachtig actief heeft meegemaakt nog een bowlschaal achter in de kast), grote lepel erin en iedereen kan zich zelf inschenken. Het fruit opeten kan ook, al vond de jury dat wel erg scherp van smaak.

Links

Archiefstuk waaruit dit recept afkomstig is

Het archief van Huis ten Donck bevindt zich bij het Stadsarchief Rotterdam. In de inleiding op het archief kunt alles lezen over de familie Groeninx van Zoelen.

Huys ten Donck in beeld

Wiki Ratafia

 

Queengelei

Grote kans dat u bij het lezen van de titel van dit blog even Koningin Elizabeth II voor u zag. En dat u dacht dat uw Archiefkok deze week iets heel koninklijks (of juist iets heel onsmakelijks) had klaar gemaakt. Allebei niet het geval.

Het woord queen komt voor in bijna alle kookboekjes die ik vind. Toen ik zes maanden geleden het eerste boekje opensloeg en queengelei zag staan, bladerde ik snel verder. Net als u had ik koninklijke associaties, zij het met koninginnen van een eeuw ofzo eerder, en dacht ik dat het hier ging om een stuk vlees of vis in drillerige gelei. Niet een gerecht waar ik als aspirant Archiefkok mijn tanden in wilde zetten.

Pas toen ik het recept maar bleef tegenkomen, er een stukje van ontcijferde en las dat je de queen in stukjes moest snijden (??!), begon het me te dagen dat er hier iets anders aan de hand was. En dat kennis van het Engels niet altijd handig is. Het gaat hier namelijk niet om de Engelse queen, maar om een stuk vergeten fruit dat in goed Nederlands kwee wordt genoemd.

De afgelopen jaren zijn we bekogeld met vergeten groenten (er is zelfs een stichting voor opgericht) maar dat we in de afgelopen eeuwen ook een hoop fruit zijn kwijtgeraakt, daar hoor je zelden iemand over. Het aantal pruimensoorten is afgenomen, het juttepeertje kennen we alleen nog van het meneertje en eet u nog wel eens mispels?

De kweepeer is er ook zo één, zij het dat deze vrucht uit de rozenfamilie hard op weg terug is naar onze keukens. Omdat hij in Nederland weinig wordt geteeld, is ‘ie echter niet makkelijk te krijgen. Ik heb me zelfs laten vertellen dat er groente- en fruit boetieks zijn, waar u 2,50 euro de kwee betaalt. Als dat bij u in de buurt ook het geval is, vraag dan even rond bij vrienden met grote tuinen of zij een boom hebben met oneetbare, harde, zure vruchten die ze elk jaar weggooien. Grote kans dat dat kweeperen zijn. Rauw zijn ze namelijk oneetbaar.

Met één raadsel opgelost, bleef ik echter nog met een ander zitten. Hoe komt dat beestje aan die vreemde naam? Wat nu volgt is dan ook een uitgebreid staaltje etymologie. Als dat u niet interesseert, sla de volgende alinea’s dan over en ga rechtstreeks naar het recept.

De Latijnse naam van de kweepeer is de Cydonia Oblonga. Oblonga slaat op de vorm, die langgerekt is (al zijn er ook ronde kweeperen) en Cydonia op Kudonia, de stadstaat op Kreta waar deze peer onder andere groeide (al komt hij oorspronkelijk uit de landen rond de Kaspische Zee). Toen de Romeinen het voor het zeggen kregen, werd Kudonia dus Cydonia en dat werd vanaf ongeveer de zesde eeuw weer uitgesproken als Quidonia.

Van dat Quidonia zijn de meeste Noord-Europese namen voor de kwee afgeleid. In het Engels in het quince, in het Duits quitte, in het Zweeds kvitten en in het Nederlands dus quede/quee/kwee. Heel anders is het in Zuid-Europa. Zo heet de vrucht in Portugal marmeleiro, waar ons woord marmelade van is afgeleid. Dat was oorspronkelijk dus kweeperengelei.

Recept

Recept Queengelei

Dit recept is afkomstig uit een kookboekje dat ik vond bij het Noord-Hollands Archief in het archief van de familie Van Sypesteyn te Haarlem. Hierin bevinden zich een aantal kookboekjes van Adriana Wilhelmina van Vredenburch (1824-1910). Het oudste dateert uit 1727 en werd haar in 1843 cadeau gedaan door haar tante Anna Marie van Vredenburch, getrouwd met Frans Beelaerts van Blokland. Dit recept komt uit een boekje dat Adriana zelf bijhield.

  • Kweeperen: 2 pond (960/1000 gram)
  • (Regen)water: 2 pond (960/1000 gram)
  • Suiker: 3,5 vierendeel (420/437,5 gram)
  • Citroen: ½ (schil geraspt en uitgeperst)
  • Kaasdoek of nieuwe (nooit gewassen) theedoek: 1

Aan de slag

IMAG3888

Kweeperen zijn verschrikkelijk moeilijk te schillen. Gelukkig wist Adriana dat ook al en gaan de kweeperen met schil en klokhuis en al in de pan. Dat geeft ook veel meer smaak. Let wel op dat u de pitten heel laat, daar zit blauwzuur in. In een zeer kleine hoeveelheid weliswaar, maar u wilt toch niet het risico lopen dat u een iemand een heerlijk potje gif cadeau doet.

Boen de kweeperen schoon, met een doekje en daarna onder de kraan, en snij ze in kleine stukjes. Zet ze op met het water en kook ze tot ze murf (murw) zijn. Na twintig minuten zijn ze al best zacht, maar een uur is beter.

Zet een vergiet op een grote pan, leg de doek erin en giet de gekookte kweeperen erin. De experts zullen zeggen dat u de peren nu uren moet laten uitlekken en de doek zeker niet uit moet uitknijpen. Adriana is dat niet met ze eens. Die zegt dat je de pulp door de doek moet wrijven en daarna het vocht nogmaals door een doek moet zeven. Dat heb ik gedaan en het vocht was prachtig helder.

Zet een pan op met de suiker, de citroenrasp en het sap en laat dat langzaam vloeibaar worden. Niet donker! Doe het vocht van de kweeperen erbij (de pulp mag weg) en laat inkoken.

Kweeperen bevatten van zichzelf veel pectine en er moet dus al snel gelei ontstaan. De ene kweepeer is echter de andere niet. Bij mij ging het niet zo snel en ik heb de gelei een half uur laten inkoken. Daardoor werd de kleur wel prachtig donkerrood. Als u niet zo veel geduld heeft, kunt u in plaats van gewone suiker ook speciale geleisuiker gebruiken, dat bevat extra pectine.

Hoe weet u of het klaar is? Laat een druppel vallen op een (tinnen) bord en haal uw vinger er doorheen. Loopt de gelei terug? Dan moet het nog even koken. Blijven de lijntjes gescheiden, dan is de gelei klaar. Giet in uitgekookte glazen potten en sluit af met de deksel.

Aan tafel

En wat gaat u nu doen met die vier potten kweeperengelei? Die gaat u opeten met kaas. Heel veel kaas. Oude kaas, geitenkaas, blauwaderkaas, kweeperengelei smaakt bij allemaal heerlijk. Glaasje rode wijn of port erbij en laat het dan buiten maar stormen. Lekker, herfst!

Kweeperengelei

Links

Pasteitjes van overgebleven vlees

Elk jaar gooien u en ik zo’n 50 kilo voedsel weg. En dan bedoel ik niet de aardappelschillen of de afgekloven kippenbotjes, maar hele kroppen sla, appels of vleeswaren. Allemaal in perfecte staat toen we ze aankochten, maar daarna verkommerd in onze kasten en koelkasten tot ze niet meer te eten waren.

Ons chronische gebrek aan tijd is één van de hoofdschuldigen. We bedenken ruim van te voren wat we willen eten, halen in één keer bijna alle boodschappen en proberen ons te houden aan onze planning. Maar wat als de boontjes op dinsdag nou niet opgaan? Of als we op woensdag zo’n rotdag hebben gehad dat we pizza’s laten aanrukken? Dan is er op zaterdagochtend gegarandeerd wat meer om in de vuilniszak te gooien.

Dat ons eten niet zo duur is, speelt ook een belangrijke rol. Het is niet zo erg dat ene gerimpelde appeltje weg te gooien, als u met gemak morgen weer een kilo verse kunt kopen. Het deel van ons inkomen dat we aan boodschappen besteden is in de afgelopen eeuw ook flink gedaald. In Amerika is het nu zelfs nog maar 6,6%! En nu niet sputteren over uw dure Nespresso cups en verantwoorde Tony Chocolonely chocolade, want daar is aan het einde van de week heus niets meer van over.

Halverwege de negentiende eeuw moest een arbeider drie uur werken voor een kilo brood. Om de boter en het spek erbij te verdienen was men de rest van de dag in touw. En dan was de hologige kinderschare vaak nog niets eens voldoende gevoed. In zo’n gezin ging werkelijk niets verloren en werd er gevochten om de pan te mogen uitlikken. Maar ook de rijkere families gingen zorgvuldig met hun eten om. Dat blijkt wel uit alle recepten voor inmaken die ik vind. Grote hoeveelheden fruit en groente werden ´s zomers klaar gemaakt om het hele jaar gegeten te kunnen worden. Niets ging weg.

Ook vind ik regelmatig recepten voor overgebleven vlees. Dat overkomt ons natuurlijk nooit meer. Alle karbonades en kipfilets worden v00r ons op maat gesneden en als er al eens wat overblijft, verdwijnt dat ´s nachts altijd op mysterieuze wijze uit de koelkast. Maar destijds werd menig dier in zijn geheel gebraden. En dat ging zelfs tijdens een feestje niet op.

Een goede manier om dat vlees op te maken is de pastei. U maakt een mooie deegkorst, vult deze met allerlei minder mooie restanten van eerder die week, en dekt af met opnieuw een mooie deegkorst met versiering. Ook Antje Mackay, we aten al eerder haar citroenkoekjes, kende deze methode goed. Hieronder haar recept voor pasteitjes van overgebleven vlees.

Recept

Pasties1

Pasties2

Antje Mackay (1775-1839) was een echte lekkerbek. Dat blijkt niet alleen uit haar kookboek, maar vooral uit haar kasboekjes. Tijdens haar uitstapjes verorberde ze overal wel een glaasje bier, een kommetje soep, wat fruit, noten, oesters, noem maar op. Van haar overgebleven vlees maakte ze dan ook geen grote pastei voor het avondmaal, maar kleine pasteitjes om heerlijk van te snacken. Gelukkig voor Antje was rond 1800 dik absoluut de mode.

Voor de vulling:

  • Gaar kalfsvlees (kan ook kip of rundvlees zijn): 200 gram
  • Verse peterselie
  • Wit brood: 3 sneden
  • Boter: 20 gram
  • Melk: half glas
  • Eierdooiers: 2
    Beetje water
  • Peper, zout, foelie en verse nootmuscaat

Voor het deeg:

  • Bloem: 250 gram
  • Koude boter: 100 gram
  • Eierdooier: 2
  • Beetje water

Aan de slag

Pasties ingredienten

Snijd het gare vlees en de peterselie in kleine stukjes en meng door elkaar. Snijd de korstjes van het brood en week de sneetjes in de melk. Klop de dooiers met een beetje water.

Knijp het brood uit en kneed de boter er door. Doe het vlees en de dooiers erbij en kneed met de kruiden tot het soort koude ragout wordt. Als het te dik is, voeg dan wat van de melk toe.

Dan het deeg. Zoals ik het lees staat er in het recept een ½ pond meel en een half pond boter. Dat wordt natuurlijk nooit fatsoenlijk deeg. Van de boter weet ik zeker dat er een half pond staat, maar misschien staat er bij bloem wel 12, 1 1/2 of 2. Ik kan het niet goed lezen. Daarom heb ik net zo veel boter door de bloem gedaan tot ik leuk deeg kreeg. De aanwijzingen waren namelijk als volgt:

Doe een half glas koud water en één dooier bij de bloem en kneed er beetje bij beetje de boter de door (langzaam aan stukken doorwerken). Als de boter er doorheen gekneed is, het deeg uitrollen tot de dikte van een pijpesteel (minder dan een halve centimeter) en dan met een bierglas rondjes uitsteken.

Doe de ragout, zo veel als past, op een rondje, dek af met nog een rondje, besmeer met eigeel en maak bovenin een kruisje met een scherp mes. De randjes kunnen goed dicht worden gemaakt door ze met een vork aan te drukken. Ziet er nog mooi uit ook.
Bak de pasteitjes een half uur op 200-220 graden.

Aan tafel

Pasties

Uw Archiefkok maakte deze pasteitjes van een beetje overgebleven stoofvlees en ontdekte al snel dat voor deze pasteitjes een klein beetje vlees meer dan genoeg is. Er bleef een heleboel ragout achter in de koelkast, waar weer een nieuwe bestemming voor moest worden gezocht. Dat vond de jury dan weer niet zo erg, want die snackte daarom niet alleen pasteitjes, maar ook geïmproviseerde kroketten.

De pasteitjes zijn best lekker, maar naar mijn idee wel voor verbetering vatbaar. Ten eerste maak ik ze in de toekomst liever met korstdeeg of bladerdeeg en zou ik zeker adviseren daar wat zout in te doen. Ten tweede zou ik een wat smeuïger ragout maken (room!). Nu waren de pasteitjes een beetje droog. Tenslotte zou ik dunner deeg en meer vulling per pasteitje gebruiken. Ook al gaat dat ten koste van de kroketten.

Maar los van al die punten, een uitstekend idee van Antje! Ook de moeite waard om speciaal wat vlees voor te braden en te serveren op uw eerstvolgende feestje. Alleen het uiterlijk is al een complimentje waard.

Links

Archiefstuk waaruit dit recept afkomstig is

Kasboekjes van Antje Mackay

Betere recepten voor pasteideeg

Aardappelen Taert voor bij de thee

Wie Hollandse Pot zegt, zegt aardappelen. Tot ver in de jaren zeventig van de vorige eeuw  stond er in Nederland bij de warme maaltijd zelden iets anders op tafel dan aardappelen, groente en vlees. En hoewel dat tegenwoordig wel anders is, zegt 51 procent van de Nederlanders nog steeds elke dag aardappelen te eten.

Toch is de aardappel van oorsprong bepaald niet Nederlands. Wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat de eerste aardappelrassen allemaal afkomstig zijn van één plant in Peru. Daar werd het gewas door de Inca’s verbouwd. Echt populair werd de aardappel er echter niet. In Peru eet men vandaag de dag liever rijst met bonen. En geroosterde cavia’s, maar dat terzijde.

De Spanjaarden die in de zestiende eeuw heel Zuid Amerika afstruinden op zoek naar zo veel mogelijk rijkdom, namen ook de aardappel mee naar huis. En hoewel de plant het prima deed in het Europese klimaat en zich ook snel over het continent verspreidde, werd de aardappel niet of nauwelijks als voedsel gezien. Dat het deel van de aardappel dat boven de grond groeit giftig is, deed zijn reputatie weinig goed.

Dit alles begon te veranderen aan het begin van de achttiende eeuw. De aardappel bleek niet alleen best goed te eten, maar ook bijzonder goed te vullen. Dat maakte de aardappel bij uitstek geschikt om de arme bevolking te voedden. Zeker toen vanaf 1755 de graanprijzen in Nederland sterk begonnen te stijgen. Brood, tot dat moment volksvoedsel nummers één, werd onbetaalbaar. Aardappelen kon men zelf telen en bovendien lang bewaren.

De hogere klassen waagden zich in eerste instantie niet aan de aardappel. Zij haalden hun neus op voor deze armelui’s kost. Maar dat veranderde snel. De goede oogsten en de daaropvolgende verkoop van aardappelen in de steden zorgden ervoor dat aardappelen langzaam de meelspijzen van het Nederlandse menu begonnen te verdringen. En niet alleen in de huizen van de armen, maar in alle huishoudens. Rond 1800 was de aardappel het meest kenmerkende bestanddeel van de Nederlandse keuken.

Maar hoe maak je die aardappel nu klaar? Dat je ‘m kon koken was al snel duidelijk, maar in de keukens van de gegoede klassen sloeg menig kok aan het experimenteren. Pap, soep, salades, croquetten, knoedels, met de aardappel bleek alles mogelijk. Ook werd de aardappel gebruikt als meelvervanger in hartige en zoete gerechten. Die zoete gerechten met aardappel zijn nooit heel populair geworden. Waarom eigenlijk niet? Uw Archiefkok zoekt het uit!

Recept

Aerdappelen taert

Dit recept voor Aardappelen Taert is afkomstig uit het kookboek Tot smullen uitgedagh, in 1796 geschreven door Maarten baron van der Goes, heer van Dirxland. Het is het enige kookboek dat ik tot nu ben tegengekomen dat werd bijgehouden door een man. Zelf koken deed hij niet. Hij was de eigenaar van het boek, maar het vruchtgebruik van de recepten gunde hij voor het leven aan zijn echtgenote. Dat hij, een baron nog wel, een recept opschreef met aardappel, geeft wel aan hoe de ster van dit volksvoedsel gestegen was.

  • Gekookte aardappelen:  3/4 oude ponden (360 gram)
  • Boter: 3/8 oude ponden (180 gram)
  • Eieren:  6
  • Gekonfijte sinaasappelschil:  3 loot (36-45 gram)
  • Sukade (gekonfijte citroenschil): 3 loot (36-45 gram)
  • Suiker naar smaak: 100-150 gram
  • Verse gist:  lepel (12 gram)
  • Tulbandvorm

Aan de slag

ingredienten aardappeltaart

Bij eerste lezing was dit recept voor mij echt een mysterie. Niet alleen dat er blijkbaar een zoete taart van aardappelen moest worden gebakken, maar ook dat er een hele lepel gist doorheen moet. Dat is erg veel. En nergens staat dat die gist eerst moet oplossen of dat het deeg moet rijzen. En dan de boter. Die moet er op het laatst worden bijgevoegd, maar niet te heet. Wat niet te heet? De boter? Moet die eerst worden gesmolten?

Uiteindelijk ging me een licht op. Misschien moest het beslag niet te heet zijn als de boter werd toegevoegd, en moest dat dus op het vuur worden bereid. Dan zou in die warmte de gist ook wel oplossen. Zo gezegd, zo gedaan. Hieronder de instructies, maar lees voordat u start eerst het verslag van het eindresultaat.

Verwarm de oven voor op 160 graden.

Prak de aardappels goed fijn, elk klontje ziet u straks terug in de taart. Snij ook de gekonfijte sinaasappelschil , de sukade en de boter in kleine stukjes. Beboter de tulbandvorm.

Zet een pan op laag vuur, doe de aardappelkruim erin , roer er de zes eieren door, de suiker en de sukade en sinaasappelschil. Voeg dan de gist toe, ook in kleine stukjes. Laat het beslag al roerend warm worden. Voeg dan de in kleine stukjes gesneden boter toe en roer tot deze volledig zijn gesmolten en de gist is opgelost.

Giet het beslag in de tulbandvorm en laat de taart drie kwartier bakken op 160 graden. Steek er aan het einde van kooktijd een prikker in. Die hoeft er niet volledig droog uit te komen, maar wel zonder beslag eraan. Komt er beslag mee? Geef de taart dan nog een paar minuten. Laat de taart even afkoelen in de vorm en stort dan op een bord.

Aan tafel

taert             taertje

Uw Archiefkok had stiekem de hoop dat dit recept een hele lekkere cake zou opleveren. Met de eieren en de gist zou de taart vast flink gaan rijzen. Niets bleek minder waar. De taart kwam weliswaar prachtig uit de vorm, maar was compact en vochtig. Net als een aardappeltortilla.

Misschien dat een eitje minder, of het beslag toch even laten rijzen, hier uitkomst kan bieden. Maar dat ga ik niet uitproberen. En waarom niet? Omdat niet alleen de structuur niet zo lekker was, maar ook de smaak niet. En niet dat je nou aardappel proeft, maar ergens klopt er iets niet aan deze taart. Of is het toch vooral het idee? De taert is in ieder geval niet geproefd door een jury, maar opgehaald door de gemeentelijke reinigingsdienst.

Links 

Het volledig gescande kookboek van Maarten baron van der Goes

Quest redacteur Marc Koenen deed in 2010 ook een poging

Tante Lia´s pizza

De kookboeken en recepten waar ik als Archiefkok naar speur, bevinden zich bijna altijd in familiearchieven. Archieven die meerdere generaties omspannen van politici, wetenschappers, industriëlen, kunstenaars of personen die op een andere manier iets voor de samenleving hebben betekend. In de archieven van die families zijn niet alleen de wapenfeiten bewaard gebleven, maar ook de kindertekeningen, de dagboeken, de financiële administratie én de keukengeheimen van de vrouw des huizes.

Een enkele keer komt er een kookboek voorbij in een archief waarin ik dat niet zou verwachten. Het persoonlijke archief van een politicus bijvoorbeeld, dat alleen zijn eigen leven en loopbaan betreft. En nee, ik ga u nu niet vertellen dat vadertje Drees in zijn vrije tijd het liefst jam kookte of dat Minister-president Marijnen de ministerraad graag vergastte op een zelf gekookt diner (al weet je het natuurlijk nooit), maar wel dat voormalig minister van Buitenlandse Zaken Joseph Luns waarschijnlijk weinig reden tot klagen had als het op zijn maag aankwam.

In zijn archief bevindt zich het kookboek Internationale Gerechten II, waarvan hij zelf het voorwoord schreef. De samenstelling ervan was in handen van societydame Alice Cléjan, de echtgenote van de consul-generaal van Ecuador Marinus Landwehr, en Elisabeth Cornelia baronesse van Heemstra, ook wel bekend als mevrouw Luns. Beiden genoeg thuis in de internationale wereld om de keuken ervan te kennen.

Het eerste deel, Internationale Gerechten, hadden de dames een paar jaar eerder samengesteld. De opbrengst van het het boek was volledig voor het Rode Kruis. De recepten ervoor werden grotendeels aangeleverd door hun vriendinnen. Allemaal echtgenotes van diplomaten en stuk voor stuk expert in het geven van diners. Zij kenden het belang van een goede maaltijd en wisten als geen ander dat een goed gevulde maag positief stemt (onthoudt u dat even? Daar kunt u niet alleen in de politiek maar ook thuis uw voordeel nog wel eens mee doen).

Er werden echter zoveel recepten ingestuurd en het boek verkocht zo goed, dat tot een tweede deel werd besloten. Dat het eten vooral goed moest vullen, wordt uit het boek wel duidelijk. Het wemelt van de van de jachtschotels, puddingen en zware vleesgerechten in dit boek. Er staat zelf een recept in voor speklappen. Toch niet het eerste waar u aan denkt bij een diplomatiek diner.

Uw Archiefkok was een beetje huiverig voor dit boek uit de jaren zeventig. Dit tijdperk associeer ik toch vooral met van alles en nog wat in gelei. Een onsmakelijke gewoonte die in de jaren tachtig gelukkig een stille dood is gestorven. Mijn angst bleek echter ongegrond. Weinig gelatine en best veel lekkers. Maar toen mijn oog viel op een recept voor pizza, was ik helemaal om. Dat kom je als Archiefkok niet elke dag tegen. Bovendien was het een uitgelezen kans om de overgebleven gist van het gemberbier op te maken!

Recept

Tante Lia's pizza

Dit recept is ingestuurd door Rosana Catalano di Melilli. Haar man Felice was ambassadeur van Italië bij de NAVO. Het recept was niet van haarzelf, maar van haar tante Lia. En ik weet niet hoe u zich haar voorstelt, maar uw Archiefkok hoopt op een echte Italiaanse mama.

Met dit recept kunt u zeker vier pizza’s bakken (of wellicht nog veel meer, zie onderaan bij de bevindingen). Omdat dat wat meer was dan ik trek in had, heb ik het recept gehalveerd om één grote pizza te bakken die de hele bakplaat bedekte.

  • Bloem: 250 gram
  • Boter: 30 gram
  • Ei: 1 (eigenlijk een half, maar dat gaat zo lastig)
  • Lauwwarme melk: 125 ml
  • Verse gist: 10 gram
  • Suiker: halve theelepel
  • Zout: halve snuif

Tante Lia maakte blijkbaar twee soorten pizza want u kiezen uit twee soorten beleg. Die hoeveelheden halveren we uiteraard niet.

Versie 1:een blik gepelde tomaten (of een kilo verse zonder vel of zaden), 200 gram gruyere in plakken, 3 eetlepels olie, 6 anjovisfilets, zout, peper en basilicum of oregano.

Versie 2: een blik gepelde tomaten, zout, peper, twee grote uien, in plakjes gesneden en kort gekookt en twee lepels olie

Aan de slag

ingredienten pizza

Verwarm de oven voor op 175 graden.

Doe de lauwwarme melk in een kommetje en los hier de gist in op.

Maak het aanrecht leeg en schoon. Giet de bloem erop en maak een kuil in het midden. Doe hier de boter, het ei, het zout, de suiker en de melk met de gist in (let op: overstromingsgevaar) en kneed het geheel tot een soepel en elastisch deeg. Het moet niet meer aan uw handen blijven plakken.

Het deeg moet nu in een beboterde pizzavorm worden gedaan. Ik gebruikte hiervoor de bakplaat en rolde het deeg een beetje uit met deegroller om het te laten passen. Daarna moet het rijzen tot tweemaal zijn volume.

Omdat ik nu een hele dikke pizza had, heb ik er nog even de deegroller op los gelaten voordat ik ging beleggen. Uiteraard zonder te kiezen tussen de twee versies. Aan de ene kant ansjovis met kaas en andere kant gekookte ui zonder kaas.

De pizza moet 25 minuten worden gebakken.

Aan tafel

Pizza

Uw Archiefkok had nog nooit zelf pizza gemaakt en dus ook weinig ervaring met pizzadeeg. Dat bleek wel toen de pizza uit de oven kwam. Hij was heel erg dik (denk Turks brood). In Tante Lia’s recept staat niks over deegrollers of het anderszins platmaken van het deeg. Zou dat een trucje zijn geweest dat als bekend werd verondersteld of dat ze juist niet wilde delen met de wereld? Of is dit soms toch genoeg deeg om een hele Italiaanse familie mee te voeden in plaats van vier personen? Het staat niet bij het recept. Weet u het misschien?

Gelukkig waren er ook genoeg pluspunten. Zo was de pizza was heerlijk knapperig en was de gekookte ui de ster van de avond. Heerlijk zoet en perfect passend bij de tomaat. Maar volgende keer ga ik,nadat ik even flink met de deegroller tekeer ben gegaan, ook wat variëren met het beleg. Een beetje mozzarella en salami zouden hier zeker niet misstaan. En dan: filmpje aan, bord op schoot en prettig weekend!

Links

Archiefstuk waaruit dit recept afkomstig is

Wiki over Joseph Luns

Internationale gerechten II in het nieuws

Gemberbier voor een huisgezin

De gemberwortel moet wel de meest veelzijdige wortel zijn die er bestaat. Hij wordt gebruikt in cosmetica, als medicijn tegen van alles en nog wat, in drankjes, in zowel zoet als hartig eten, vers, gedroogd, rauw, ingemaakt, geraspt, je kunt het zo gek niet bedenken of het kan met gember. En het is nog gezond ook.

Gember was één van de eerste oosterse kruiden die door Arabische handelaren naar Europa werd gebracht. Gember groeit het best in warme vochtige klimaten en komt oorspronkelijk waarschijnlijk uit India. Hoewel ze het niet zelf konden telen, raakten de Grieken en de Romeinen al snel verslingerd aan het goedje. In gedroogde vorm welteverstaan, want verse gember overleefde de lange handelsroutes niet.

Vandaag de dag vindt de commerciële teelt van gember vooral plaats in China, tropisch Afrika en de Cariben. Dankzij koeltransporten ligt de verse wortel dagelijks in de schappen van de Nederlandse winkels. Maar tot nog maar een paar decennia geleden, moest men het voorbeeld van de Romeinen volgen en zich behelpen met gedroogde gember. Meestal in poedervorm, maar ook met wortels die in zijn geheel waren gedroogd.

Deze volledig gedroogde wortels zijn keihard en je kunt er daarom heel weinig mee doen. Behalve smaak geven aan water door ze lang te laten trekken. En dat is ook de methode die werd toegepast om gemberbier te maken. En dan bedoel ik echt bier, met alcohol. Niet de zoete limonade die u onder de naam ginger ale kunt kopen.

Uw Archiefkok vond een recept voor gemberbier in het kookboek van Sara Adriana Gleichman, de moeder van niemand minder dan de grafisch kunstenaar Maurits Cornelis Escher. Toen zij in 1892 met de waterbouwkundig ingenieur George Arnold Escher trouwde was hij weduwnaar met twee zoons onder de tien. Samen kregen ze nog drie jongens.

Dat mannengezin moet Sara wel bezig gehouden hebben. Vooral de kleine Maurits gaf kopzorgen want hij was veel ziek en deed het niet erg goed op school (behalve bij de tekenles uiteraard). Hij moest uiteindelijk zelfs naar een speciale school. Waar zou zijn moeder hem mee getroost hebben? Uw Archiefkok vermoedt met pudding, heel veel pudding. In haar kookboek staan namelijk minstens twintig verschillende recepten voor dit toetje.

Met Maurits kwam het gelukkig goed. Hij rondde de HBS af, ging naar de Haarlemse School voor Bouwkunst en Schone Kunsten en begon aan een glansrijke carrière die hem een Koninklijke Onderscheiding en later een museum aan het Lange Voorhout in Den Haag zou opleveren. Zouden ze daarop hebben geproost met een glaasje gemberbier? Daar moet in ieder geval genoeg van zijn geweest. Sara hield niet van halve maatregelen. Voor haar gezin maakte ze altijd 28 flessen tegelijk. Blijkbaar ging het er wel in.

Recept

recept gemberbier

Dit recept lijkt simpel maar geeft toch een hoop hoofdbrekens. Ten eerste willen wij natuurlijk geen 28 flessen maken. Ten tweede hebben we kruiken nodig (en nee, niet van het soort dat u ’s winters mee naar bed neemt, tenzij u daar stiekem drinkt). Ten derde staat de helft van de ingrediënten in geld uitgedrukt. Voor twintig cent gedroogde gember en voor een cent gist.

Een fles is ongeveer 0,8 liter. 28 Flessen bevatten dus 22,4 liter. Dit recept is voor 2 liter, dus alles is gedeeld door net iets meer dan 11.
In plaats van kruiken heeft uw Archiefkok glazen flessen gebruikt. Zorg dat die rond zijn! In vierkante flessen wordt de druk niet goed verdeeld en die ontploffen (hier spreekt een ervaringsdeskundige). Nog gevaarlijk ook, als u toevallig in de buurt bent. U kunt ook kiezen voor plastic, dan hoeft u niet dagen met een veiligheidsbril rond te lopen.

De hoeveelheid gist en gedroogde gember is een gok. Als u hier trouwens een ten vierde in ziet (waar koop ik verse gist en gedroogde gember?) staat de gist bij de Jumbo in het koelvak (staat niet op de foto, maar ziet eruit als kleine blauwe kubusjes met de naam Bruggeman erop)  en is gedroogde gember te koop bij de toko of een Aziatische supermarkt.

  • Water: twee liter
  • Suiker: 240 gram
  • Citroenen :3
  • Gedroogde gemberstukken: 40 gram (2 cent per gram)
  • Verse gist: 2 gram (2 gram voor een cent)

Aan de slag

Ingredienten gemberbier

Breng in een pan het water met de suiker aan de kook. Boen ondertussen de was van de citroenen, schil ze en pers ze uit. Zet het sap weg in de koelkast. Zodra het water kookt voegt u de gember en de citroenschillen toe. Laat het 20 minuten koken.

Laat het brouwsel afkoelen en voeg dan de gist toe. Doe de deksel op de pan en laat het drankje 24 uur zo staan. Giet het daarna door een zeef en voeg het citroensap toe.

Daarna kunt u, met behulp van een trechter of een maatbeker, het gemberbier overdoen op flessen. Het moet nog een paar dagen nagisten, dus even geduld. Als u erg bang bent voor ontploffingsgevaar, zet de flessen dan in een emmer en draai één of twee keer per dag de dop los om wat gas eruit te laten.

Proeven

Uw Archiefkok maakte dit drankje twee keer. Na de grote gemberexplosie was er van de eerste voorraad niet veel meer over namelijk. De eerste keer had ik niet zoveel gember gebruikt (als je zelf een hele wortel droogt blijft daar ongeveer twee gram van over) en veel meer gist (5 gram). Het resultaat had iets weg van witbier met citroen. De gember was nauwelijks te proeven.

Naamloos

De tweede versie, volgens bovenstaand recept, rook en smaakte wel naar gember, zonder dat deze te overheersend was. Ook de citroen was goed te proeven en de koolzuurbubbels waren precies goed. Kortom, een bijzonder geslaagd drankje. Dat vond ook de jury die deze smaak vooral associeerde met de zomer en zichzelf al in de zon op een fijn terras zag zitten met een lichte dronkenschap in het vooruitzicht. Of u er ook dronken van kunt worden, is niet getest. Daarvoor was er te weinig en het alcoholgehalte is niet gemeten. Maar daar kan verandering in komen, want uw Archiefkok zint nu op hele grote pannen om net als Sara 28 flessen tegelijk te kunnen maken. Proost!

Links

Babbelaars van oma Van der Linden

U zit op de bank, met een boek of met de televisie aan, en u zou wel iets lusten. Bij voorkeur iets zoets. Maar u bent heel verstandig geweest bij het boodschappen doen en hoe vaak u ook in de keukenkastjes neust, er is echt niets. En nee, in de koelkast ook niet.

Klinkt dit u bekend in de oren? En neemt u dan ook wel eens een flinke hap hagelslag om de ergste nood te lenigen? Niks om u voor te schamen, maar vanaf vandaag hoeft het u niet meer te overkomen. Want met drie ingrediënten die altijd wel in dat kastje staan, kunt u voortaan zelf snoepjes maken. Het kost wel een beetje tijd, dus een reservepot pindakaas kan in de tussentijd nog wel van pas komen.

De Archiefkok vond dit recept voor babbelaars in de enorme receptenverzameling van Petronella Wilhelmina Heyligers . Geen Zeeuwse, zoals u misschien zou vermoeden, maar geboren in 1783 in Deventer. Ze noemt deze snoepjes ook geen babbelaars, maar siroopballen. En in die naam zit het subtiele verschil tussen Zeeuwse boterbabbelaars en Petronella’s siroopballen: een lepeltje stroop.

Voor de traditionele Zeeuwse babbelaar wordt geen stroop gebruikt. Met suiker, boter, azijn en een drupje water maakte elke Zeeuwse boerin tot in de twintigste eeuw haar eigen babbelaars, toen nog spekjes genoemd. Vanaf het einde van de negentiende eeuw werden ze ook commercieel gemaakt en verkocht. In blikjes die zo karakteristiek waren dat ze nu museumstukken zijn geworden.

Volgens de overlevering kreeg men in Zeeland bij het eerste kopje koffie suiker en een koekje aangeboden en bij het tweede een spekje. Dat was het Zeeuws meisje op haar best, want zo’n snoepje was een stuk goedkoper dan én suiker én een koekje. En omdat je er zo lekker lang mee kon doen, kon er ook gezellig lang doorgebabbeld worden. En zo komende babbelaars aan hun naam.

Petronella van der Linden, zoals ze na haar huwelijk heette, kreeg zes kinderen en werd oma van een stuk of twintig kleinkinderen. Ziet u ze alle twintig al sabbelen op een siroopbal van oma? Eén van hen was de kleine Piet die ruim een halve eeuw na het overlijden van zijn oma, aantrad als premier van Nederland. Dankzij de diplomatieke kwaliteiten van deze Pieter Cort van der Linden bleef Nederland tijdens de Eerste Wereldoorlog neutraal. En dan moet uw Archiefkok zich heel erg inhouden om niet te zeggen dat hij blijkbaar uitstekend kon babbelen.

Recept

Recept siroopballen

Grote kans dat u voor deze siroopballen alles in al huis hebt. Er zijn maar vier ingrediënten en één daarvan komt uit de kraan.

  • Suiker: 200 gram (Petronella gebruikt bruine, maar witte kan ook)
  • Boter: 20 gram
  • Water: 2 eetlepels
  • Stroop: 1 eetlepel

Voor de stroop kunt u gewoon die fles pannekoekstroop gebruiken die al minstens een jaar achter in dat kastje staat. Maar andere stroop kan ook. De Archiefkok maakte siroopballen met golden syrup en daarna nog een tweede versie met witte suiker en appelstroop.

Om goede babbelaars te maken is vooral de temperatuur van de suiker erg belangrijk. Te heet en het snoep smaakt verbrand of wordt keihard. Te warm en de binnenkant blijft zo taai dat u voor uw kronen moet gaan vrezen. Om het precies goed te doen, kunt u een suikerthermometer aanschaffen, maar noodzakelijk is dat niet. Petronella deed het ook zonder en haar babbelaars zijn uitstekend.

Aan de slag

voorbabbelaars

Zet een pan op laag vuur, liefst met een wat dikkere bodem, en smelt de boter. Doe de suiker, het water en de stroop erdoor en roer alles kort door elkaar. Leg daarna de lepel ver weg want wie blijft roeren krijgt geen babbelaars maar vette suikerklonten. Door te roeren gaat de suiker namelijk weer kristalliseren.

Zet het vuur helemaal laag en laat een half uur koken. U hoeft er niet naar te blijven staren, maar blijf wel in de buurt. Op het moment dat de suiker de juiste temperatuur bereikt (zo rond de 140 graden) wordt het iets dikker en dan moet het vuur meteen uit. Wie langer wacht kan opnieuw beginnen of moet zich alsnog troosten met broodbeleg. Beboter ondertussen een vel bakpapier en leg dat op het aanrecht of op een grote snijplank.

De Archiefkok liet de suiker volgens recept een half uur koken en ontdekte dat de temperatuur toen precies goed was. Na dat half uur giet u de vloeibare stroop uit over het bakpapier. Niet aankomen, door de hoge temperatuur brandt het met gemak een gat in u.

Petronella slaat hier een paar stappen over en schrijft dat je de suiker in repen moest gieten. Dat blijkt een onmogelijke opgave. De massa is volledig vloeibaar. Na een paar mislukte pogingen en wat aanvullend leeswerk kan ik u de volgende methode aanraden:
Giet de suiker uit over het bakpapier en laat een kleine tien minuten afkoelen. Vouw daarna het bakpapier dubbel en de rol de plak vervolgens op. De zo ontstane rol moet wat uitgetrokken worden tot de diameter van de rol ongeveer een halve centimeter is.

Daarna kunt u verder met de aanwijzingen van Petronella: “maak met de rug van een mes knepen in de stroop zo groot als u de ballen hebben wilt”. Met dit recept moet u er twintig tot dertig kunnen maken. Na nog een kwartiertje wachten kunt u ze afbreken en opeten.

Proeven

babbelaars

De Archiefkok maakte twee keer babbelaars (of eigenlijk vijf keer als u de mislukte pogingen per se wilt meerekenen) en gebruikte eerst bruine en toen witte suiker. Dat had veel invloed op het uiterlijk. Die met bruine suiker werden glanzend zwart, die met witte suiker waren echt boterbabbelaargeel.

Beide exemplaren hadden de perfecte consistentie. Hard, maar wie ongeduldig was, kon ze meteen doorbijten. Wie sabbelde, kon er een vol half uur van genieten. De jury bestond, net als de schare kleinkinderen, uit zeker twintig man. Het oordeel was unaniem: mjam!

En als u nou iemand bent die wel gewoon koekjes in huis heeft en zich nooit tot chocoladevlokken hoeft te verlagen, deze snoepjes kunt u ook uitstekend cadeau geven. Even individueel verpakken in cellofaan, vrolijk blikje erom en klaar!

Links

Archiefstuk waaruit dit recept afkomstig is

Meer over Pieter Cort van der Linden

De babbelaarblikken van het Historisch Museum te Deventer

Blog over een Groningse versie van de babbelaar: kekaigies

 

Catharina’s kreeftensoup

De afgelopen weken heeft uw Archiefkok veelvuldig gebruik gemaakt van het kookboek van Catharina Schimmelpenninck. Zo heeft u kunnen lezen over haar cake met karwijzaad en haar macaroni (al was die eigenlijk van mevrouw Falck) en hebben al heel wat gewillige proefpersonen van haar nougat kunnen snoepen. Hoog tijd om haar eens fatsoenlijk aan u voor te stellen en meteen haar recept voor kreeftensoup met u te delen.

Eerst de pijnlijke zaken maar even uit de weg. Catharina heet alleen Schimmelpenninck, en dus niet Schimmelpenninck van der Oye. Ze stamt wel uit die eerbiedwaardige familie, maar omdat haar verre voorouder Johan werd geboren uit een iets minder eerbiedwaardige relatie, kreeg hij niet de volledige familienaam. Vanaf halverwege de zestiende eeuw woonden er in Zutphen daarom een familie Schimmelpenninck van der Oye én een familie Schimmelpenninck.

Catharina wordt in 1790 in Amsterdam geboren. Haar vader Rutger Jan is daar advocaat maar bovenal een patriot. Hij strijdt tegen de absolute macht van de stadhouder en voor meer democratie. Zijn succesvolle politieke en diplomatieke carrière brengt zijn jonge gezin in 1798 naar Parijs en in 1802 naar Londen. Als Rutger Jan in 1804 door Napoleon tot raadspensionaris wordt benoemd, keren ze terug naar Nederland. De dan 14 jarige Catharina mag een slaapkamer uitzoeken in Huis ten Bosch, dat haar vader als ambtswoning heeft gekozen. Lang duurt het niet, een jaar later neemt Lodewijk Napoleon zowel de functie als het huis over.

Het gezin keert dan waarschijnlijk terug naar Amsterdam waar Catharina de vijf jaar oudere Salomon Dedel leert kennen. Ze trouwen in 1810 en trekken in een huis aan de Singel in de buurt van de Gasthuismolensteeg. Het duurt echter niet lang voordat Catharina weer naar het buitenland vertrekt, want Salomon is net als haar vader in diplomatieke dienst. Twee maanden na hun huwelijk vertrekken ze naar Parijs en in de daaropvolgende jaren wonen ze in Kopenhagen, Stockholm, Madrid en tenslotte in Londen. In 1815 verheft Koning Willem I Salomon in de adelstand. Voortaan mag hij zich baron noemen.

Het is niet verwonderlijk dat, met al dat gereis, Catharina´s kookboek er wat anders uitziet dan de meeste kookboeken die rond deze tijd zijn geschreven. Er zijn recepten te vinden voor seed cake, scones, macaroni, nougat, gateau Suisse, pilaf, fruit pie en ox tails soup. Allemaal gerechten die ze moet hebben geproefd tijdens de vele internationale diners waar zij en haar man verwacht werden aan te schuiven. Net zo makkelijk geschreven in het Engels en Frans als in het Nederlands.

Recept

Recept kreeftensoup

Het recept voor deze kreeftensoep begint goed: men neme veertig tot vijftig kreeften. Uw Archiefkok had dit recept daarom al bijna afgeschreven als een onbetaalbare exercitie tot het haar begon te dagen dat hier gaat om rivierkreeftjes. Die kunt u zonder jas kopen bij de supermarkt (naast de garnalen), maar voor dit recept heeft ze mét jas nodig. Deze zijn te koop bij de visboer, maar bestel ze ruim van te voren. Ze zijn niet altijd op voorraad. Voor een soep voor vier personen zijn dertig kreeftjes voldoende.

Aan de slag

Kreeftensoep         Bouillon

  • Een liter goede visbouillon
  • Dertig rivierkreeftjes in de schaal
  • Drie eierdooiers
  • Een fijne (thee)doek om de soep te zeven

Zelf bouillon maken? Dan ook:

  • Een pond ongepelde gamba’s of scampi’s
  • Boter
  • Ui
  • Winterpeen
  • Bleekselderij
  • Tijm
  • Peterselie
  • Laurierblad
  • Keukentouw om een bouquet garni te maken

Het recept vraagt om een goede bouillon. Dat is altijd een gewetensvraag. Blokje of even aan de slag? Uw Archiefkok maakte gebruik van een restant gamba’s in haar vriezer. Uitje fruiten in een flinke klont boter (we zijn tenslotte nog steeds aan het archiefkoken), blokjes wortel en bleekselderij erbij, een pond ongepelde garnalen erin en een bouquet garni van peterselie, tijm en laurierblad. Liter water erover en een half uur tot een uur laten koken. Er mag veel peper bij, maar niet te veel zout. De garnalen nemen namelijk hun eigen zout mee. Zeef de bouillon door een doek en zet deze apart. Spoel de doek uit, die heeft u straks nog een keer nodig.

De rivierkreeftjes die ik van de visboer kreeg, waren al dood. Daar was ik erg blij mee, want ik was vergeten daar om te vragen. Mocht u ook geen prijs stellen op dertig exemplaren die u nog moet omleggen, geef dat dan bij de bestelling even door. Heeft u wel levende? Dan moeten ze eerst even worden gekookt in kokend water.

Doe nu een schort om of een oude trui aan want over een paar minuten zit u volledig onder de kreeftenpoep en -ingewanden. Het pellen van de dieren vereist een handigheid die u bij ongeveer de 28e kreeft onder de knie zult hebben. Neem met de linkerhand de kop tussen duim en wijsvinger, met de rechterhand de staart. Knijp licht in de kop en trek tegelijkertijd aan de staart. Daardoor laat het staartschild los en kan het vlees uit het kopgedeelte getrokken worden. Trek het kleine zwarte darmkanaaltje eruit. Dat vlees is overigens een veel te klein stukje voor al het werk dat u eraan heeft. Maar zuig af en toe een pootje uit, dan weet u meteen waar u het voor doet.

IMAG1613

Zet het vlees afgedekt in de koelkast en verzamel alle staarten, poten en rugschalen. Spoel ze af en stamp ze fijn in de vijzel. Of, als u daar geen zin heeft: doe ze in de keukenmachine met wat van de bouillon en maal ze fijn. Doe het eindresultaat in de bouillon (ja, echt) en laat het geheel samen koken. In het recept staat niet hoe lang, maar hoe langer hoe beter. In ieder geval een half uur.

Zeef de soep opnieuw door de doek, proef en wees even ontzettend trots op uzelf. Doe dan de rivierkreeftjes erin, breng de soep aan de kook, zet het vuur laag en voeg de drie eierdooiers toe terwijl u roert. De soep zal nu gaan binden, maar let op dat het niet gaat schiften.

Aan tafel

Deze soep was bij de Archiefkok thuis de eerste gang van een viergangenmenu. En hoewel het binden niet helemaal gelukt was, vond de jury de smaak van de soep uitstekend. Zo uitstekend zelfs dat alles op was voordat er een bordje op de foto was gezet. Oeps! Van het eindresultaat bestaat dus geen bewijs meer. Maar geloof me, aan de foto mist u niets. U moet het proeven!

Links

Zure winterkomkommers

Het is eind augustus. Na een prachtige zonovergoten zomer, klettert nu de regen tegen de ramen. In de tram is het druk en moppert iedereen over het vieze weer. Uw Archiefkok niet. Die zou weliswaar liever op de fiets zitten dan in de tram, maar ziet verder alleen maar voordelen. In de vorm van warme truien, chocolademelk, dikke boeken bij warme kachels, gebreide sjaals en natuurlijk wintervoedsel als stamppot, geroosterde wintergroenten, zuurkool met worst, snert en zo nog een paar.

Als het om eten gaat brengt de winter de moderne mens maar weinig ongemakken. Wie geen probleem heeft met het inschakelen van vliegtuigen om ook in januari druiven en sperziebonen te kunnen eten, hoeft maar weinig van de wisseling van seizoenen te merken. Dat daarbij de smaak ondergeschikt is geraakt aan de beschikbaarheid, lijkt maar weinig mensen te deren.

Nog maar vijftig jaar geleden was er ’s winters een stuk minder keuze. Wie niet alleen maar knollen wilde eten, moest actie ondernemen. En die actie bestond niet uit het invriezen van groente (in 1957 had nog maar drie procent van de Nederlandse huishoudens een koelkast, en nog minder procent een vriezer). Nee, aan het eind van zomer sloegen de Nederlandse huisvrouwen massaal aan het inmaken, drogen, zouten en inleggen. Of gaven hun kokkinnen en huishoudsters de opdracht om daarmee te beginnen.

Uit de bewaarde recepten van Johanna Cornelia Cort van der Linden- de Koning kunnen we opmaken dat zij geen kok in dienst had. Alleen voor speciale diners maakte zij gebruik van de kunsten van mevrouw Kuiper-Goutin, die dan vooraf een boodschappenlijstje stuurde. De voorbereidingen voor de winter zal ze dan ook zelf hebben moeten doen.

Johanna trouwde in 1880 met haar 15 jaar oudere achterneef Pieter Cort van der Linden (de latere premier) en kreeg met hem vier zonen. Het gezin woonde een aantal jaren in Groningen waar Pieter hoogleraar Staatshuishoudkunde was, tot ze in 1897 weer terugkeerden naar Den Haag. Daar was Johanna lid van verschillende vrouwenverenigingen en was ze actief voor Pro Juventute, een vereniging die als een voorloper van de jeugdzorg kan worden gezien. Daarnaast legde ze, zoals het elke Haagse dame betaamde, haar visites af en had ze ongetwijfeld ook haar vaste jour om bezoek te ontvangen.

Tijdens zulke bezoeken werd er altijd een hoop lekkers geserveerd. In haar kookboek vinden we dan ook recepten voor appelbeignets, tulband, zandtaart en kaneelwafelen. Op die recepten komt de Archiefkok graag nog een keer terug (al was het maar omdat Koningin Wilhelmina en haar dochter Juliana ook ooit bij Johanna kwamen proeven) maar nu volgen we Johanna’s goede voorbeeld en gaan we komkommers inleggen voor de winter.

Recept

Recept komkommers

Johanna legt hele komkommers in het zuur. Dat brengt het logistieke probleem met zich mee dat u en ik nog maar moeilijk aan een pot kunnen komen waar een hele komkommer inpast. Uw Archiefkok vond kleine komkommers op de markt en gebruikte die. Als u die niet kunt vinden, neem dan vier grote en halveer ze.

  • Ruim 26 uur
  • 8 kleine komkommers
  • Veel zout
  • Ruim een liter witte wijnazijn (met een flesch wordt 0,8-0,88 liter bedoeld)
  • 25 gram gekneusd mosterdzaad (een lood is 10-15 gram)
  • 25 gram gehakte sjalot
  • 25 gram gehakte Spaanse peper
  • Kurkuma
  • Stukje fijn gesneden gember (de Archiefkok gebruikte een stukje van 2 centimeter)
  • Scheut zonnebloemolie (optioneel)
  • Weckpot van 1,5 liter met deksel.

Aan de slag

Ingredienten komkommers

Schil de komkommers met een dunschiller (of de kaasschaaf) en leg ze in een schaal of diep bord. Bestrooi ze flink met zout en zet weg. De komkommers moeten nu 24 uur zo blijven staan. Als de 24 uur om zijn, moeten de komkommers in een vergiet nog uitlekken. Hoe lang staat er niet bij. Uw Archiefkok gaf het nog twee uurtjes.

Zodra de komkommers in het vergiet gaan, begint u aan de azijn. Breng in een pan de azijn aan de kook met het mosterdzaad (gekneusd in de vijzel of reeds gemalen mosterdpoeder), de gehakte sjalot en Spaanse peper, de fijn gesneden gember en een flinke snuf kurkuma (daar wordt het mooi geel van). Laat dit geheel een kwartiertje koken en laat het dan afkoelen. Let op: als u hier een houten pollepel in steekt, is ‘ie voor altijd geel.

Haal de komkommers uit het vergiet en droog ze goed af. Stop ze in de weckpot (eventuele steeltjes mooi omhoog) en giet de afgekoelde azijn erop. Om het goed af te sluiten gebruikte Johanna een flinke scheut olie. Dan komt er een mooi laagje op. De Archiefkok vond dat ook wel mooi en deed dat ook. Nodig is het niet, de deksel van de weckpot sluit voldoende af.

Je kunt de komkommers heel lang bewaren. Wacht in ieder geval een week met proeven. Dan kunnen de smaken even echt goed in de komkommer trekken.

Aan tafel

IMAG2292

Het geel van de kurkuma is zo overheersend dat de komkommers door het glas bijna niet te ontwaren zijn. Deze ingelegde komkommers zijn dan helaas ook geen mooi verjaardagscadeautje. Op het bord daarentegen is het wel weer leuk dat dit geen plakjes zijn, maar een heel komkommertje. Maar laat mij u wel even waarschuwen voordat u een hapje neemt: dit smaakt niet zo fris en zacht als verse komkommer. Dankzij de Spaanse peper, de sjalotten, de gember en het mosterdzaad wordt het met deze jongens een heerlijk warme winter.

 Links

 

Macaroni zoals bij mevrouw Falck

Eet u nog wel eens macaroni? De kleine geribbelde elleboogjes die in de jaren zeventig in heel Nederland massaal op tafel werden gezet? Uit de oven met een gehaktsaus met daar overheen een dikke knapperige kaaskorst? Fles ketchup ernaast. Nee zeker?

De meeste Nederlanders eten elke week wel een keer pasta, maar zelden nog elleboogjes. Lasagne, tagliatelle, volkoren penne, cannelloni, en natuurlijk spaghetti zijn tegenwoordig een stuk populairder.  Deze pastasoorten zijn de afgelopen decennia allemaal uit Italië naar ons toegekomen. Met de daarbij behorende bereidingswijzen als alla vongole, carbonara, caprese etc.

In tegenstelling tot wat u misschien altijd heeft aangenomen, werd er in Nederland ver voor de jaren zeventig ook al pasta gegeten. In de negentiende eeuw stond het in verschillende huizen van stand regelmatig op tafel, meegenomen door rijke jongemannen die op hun grand tour Italië aandeden. Daar werd vanaf het einde van de achttiende eeuw op elke straathoek macaroni verkocht.

Onder macaroni werd destijds gedroogde pasta verstaan. De vorm ervan verschilde per kok. Omdat de gedroogde deegwaren makkelijk mee te nemen waren, maakte het gerecht snel naam in Europa. Of eigenlijk maakten vooral de jongemannen naam. Jongens die zich te veel maniertjes van het continent hadden aangemeten werden in Engeland namelijk spottend Maccheroni genoemd. In het liedje Yankee Doodle komt die spotnaam nog terug: stuck a feather in his cap and called it macaroni.

De veelheid aan sauzen waar wij vandaag de dag uit kunnen kiezen, was er toen nog niet. De tomaat, tegenwoordig het boegbeeld van de Italiaanse keuken, werd nog nauwelijks in Europa geteeld. Daarom werd de pasta gegeten met kruiden en kaas. Deze combinatie werd in de Verenigde Staten zo populair dat er in de jaren vijftig van de vorige eeuw een kant-en-klaar versie werd ontwikkeld: Mac &Cheese. Voor de Mac werd elleboogjespasta gebruikt die daardoor wereldwijd bekend kwam te staan als macaroni. In Italië sloeg dit gerecht uiteraard niet aan, daar moet je vandaag de dag goed zoeken als je per se een zakje macaroni wilt hebben.

Maar terug naar de negentiende eeuw. Daar at Catharina Dedel-Schimmelpenninck (1790-1842) op een dag macaroni bij mevrouw Falck, geboren Rose Amour Caroline Aya Gisele barones de Roisin. Beide dames waren met een diplomaat getrouwd en moeten dus heel wat te bespreken hebben gehad. Over het recept van een goede macaroni waren ze het snel  eens. Het gerecht valt of staat met de kwaliteit van de gekozen kaas.

Recept

Macaroni recept

Het recept voor ‘Macaroni comme chez Madame Falck’ beslaat drie bladzijden in Catharina’s kookboek en is volledig in het Frans geschreven. Het duurde dan ook even voordat uw Archiefkok in de gaten kreeg dat het hier om een recept voor macaroni met kaas ging. De hoeveelheden zijn volledig aangegeven in geld, Franse livres om precies te zijn, die in 1795 in Nederland werden afgeschaft.

Voor 8 tot 10 personen heeft u voor een halve livre macaroni  nodig, voor een halve livre gruyère en een kwart (livre?) parmezaan. Nu houdt uw Archiefkok erg van sommen, maar deze som is niet op te lossen zonder een prijslijst uit die tijd. Als iemand het archief van een achttiende-eeuwse kaasboer weet te lokaliseren, houd ik me dus aanbevolen. Tot die tijd moeten we het doen met gokken. En laten we dan gokken dat de kaas heel goedkoop was, dan kunnen we er flink veel van eten.

Voor vier personen:

  • Pasta naar keuze: 400 gram
  • Gruyère geraspt: 200 gram
  • Parmezaan geraspt: 200 gram
  • Hamblokjes (voor de variatie beveelt Catharina zalmsnippers aan): 250 gram
  • Boter: net iets meer dan 100 gram
  • Bouillon(blokje)

Aan de slag

Ingredienten macaroni

Kook de pasta gaar in de bouillon. Hoe lang dat duurt is afhankelijk van de pasta die u kiest. Voeg aan het einde van de kooktijd een klein klontje boter toe, laat deze smelten en giet de pasta vervolgens af.

Verwarm een half uur voordat u wilt gaan eten de oven voor op 180 graden. Doe dan 100 gram boter in een stevige pan met daarbij twee eetlepels water. Voeg als dit gesmolten is de pasta toe, de gruyère, de ham en 50 gram van de parmezaan. Als u geen purist bent, is dit ook het moment om peper toe te voegen. Blijf goed roeren tot de kaas is gesmolten. Zet het vuur uit en strooi de rest van de parmezaan erover heen.  Als uw pan niet in de oven mag, verdeelt u de pasta eerst over één of meer ovenschalen. Zet in de oven tot de bovenkant “een rode kleur” krijgt, een lekker ouderwets korstje dus.

Wie graag nog een beetje groente eet, kan er erwtjes bij serveren, of deze er doorheen doen. Ook de puristen kunnen dit met een gerust hart doen, erwtjes stonden in de negentiende eeuw regelmatig op het menu.

Aan tafel

De jury had nogal hoge verwachtingen van de macaroni van mevrouw Falck. Pasta uit de negentiende eeuw, dat moest toch iets bijzonders zijn. De mededeling dat er mac&cheese op tafel zou komen was dus nogal een deceptie. Maar de lauwe reacties op het hoofdgerecht van de avond bleken ook een andere oorzaak te hebben: onverwerkte jeugdtrauma’s waarin doorgekookte macaroni en  smakeloze kaas de hoofdrol speelden. De dames Dedel en Falck haalden aan de tafel van de Archiefkok hun gelijk. Een goede kaas doet wonderen.  De rode kleur wist uw Archiefkok niet te bewerkstelligen, maar dankzij de gruyère en de parmezaan gingen eerst de bordjes schoon leeg en daarna de twee ovenschalen.

Macaroni

Links