Eau de chocolat

Waarschuwing: dit blog is gebaseerd op nepnieuws. Lees hiervoor de rectificatie. De rectificatie doet niets af aan de smakelijkheid van het recept.

Onlangs ontdekte uw Archiefkok een fikse omissie in haar oeuvre. Nee, niet de paté van de kalfsvoeten die ik u ooit had beloofd maar waar ik op mysterieuze wijze nooit aan toe ben gekomen, maar iets veel ergers: we hebben het nog nooit gehad over chocolade. Vandaag komt daar verandering in. Maar niet met de verhalen over conquistadores en de chocoladeverslaafde kardinaal die ik voor u had opgedoken. Nee, dat ging allemaal het raam uit toen ik op deze advertentie uit 1667 stuitte:

In deze advertentie wordt het cacaopoeder van de gebroeders Van Houten uit Weesp aangeprezen. Niet vreemd, de meesten van ons kennen dat cacaopoeder wel. Maar wat als ik u vertel dat dat poeder pas werd uitgevonden in 1828? En bovendien pas vanaf 1850 in Weesp werd geproduceerd?

Van Houten Cacao

De cacaofabriek van Van Houten werd in 1815 in Amsterdam opgericht door koffiehandelaar Casparus van Houten. In een pand op de Prinsengracht installeerde hij een tredmolen met twee maalstenen waartussen de geroosterde cacaobonen werden gemalen. Die gemalen bonen werden voornamelijk gebruikt voor warme chocolademelk. Het hoge vetgehalte van chocolade maakten het bijna onmogelijk er iets anders van te maken dat smakelijk was. Tot Casparus een manier vond om het vet uit de bonen te persen en zo de basis voor het cacaopoeder legde.

Eén van de bekendste blikken waarin Van Houten’s cacao werd verkocht

Casparus vroeg patent aan en kon al snel de vraag niet meer aan. Zijn door mensen aangedreven tredmolen in Amsterdam werd verruild voor een heuse cacaomolen in Leiden. Casaparus’ zoon Coenraad verplaatste de productie naar Weesp waar onder zijn leiding een grote chocoladefabriek verrees. Coenraad trouwde met Hermina van Houten, van wie wordt beweerd dat zij geen familie van hem was. Dat is niet waar. Hermina en Coenraad waren volle neef en nicht. Haar vader was Casparus’ broer Bruins (een familienaam, zoals u straks zult zien), die zich als tabakshandelaar in Groningen had gevestigd. De fabriek bleef in de familie tot 1962.

Cacaomolens

De tredmolen van Casparus was niet de eerste cacaomolen in Nederland. Die stond in 1705 in Middelburg, waar veel schepen van de West Indische Compagnie hun waren losten.  Daaronder was ook veel cacao uit de Spaanse koloniën, die daardoor meteen verwerkt kon worden. Cacao werd echter ook al vóór 1705 af en toe ingevoerd en de kans is groot dat deze verwerkt werd in molens die niet officieel als cacaomolen te boek stonden.

In Weesp maalden de meeste molens graan en mout voor de bierindustrie. Het schone water van de Vecht was daar ideaal voor. De vele godsdiensttwisten in het Sticht Utrecht brachten echter grote schade toe aan de economie van het plaatsje en rond 1650 waren er nog maar vijf brouwerijen over. Hebben de onbekende gebroeders Van Houten uit de advertentie toen wellicht hun graanmolen omgebouwd tot cacaomolen?

De familie Van Houten

Helaas voor mij is er in de genealogische bronnen van zeventiende-eeuws Weesp geen Van Houten te bespeuren. Misschien woonden ze er, maar ze trouwden er niet, kregen er geen kinderen en werden er ook niet begraven. De enige Van Houten die ik aantrof, bleek bij controle Van Souten te heten. Foutje bij het overtypen van de moeilijk leesbare registers.

Daarom besloot ik het andersom te proberen en de genealogie van Casparus terug te voeren tot de illustere broers. Casparus’ vader was de Amsterdamse houthandelaar Dirck van Houten. Uit zijn huwelijksakte wordt duidelijk dat zowel hij als zijn vader, Bruns van Houten, uit Olst komen. De doopakte van Dirck heb ik in Olst echter niet gevonden, wel die van twee broers waarin vader wordt aangeduid als Jan Bruns en Jan Bruns van Holten.

Huwelijksakte van Dirck van Houten en Engeltje van der Mark uit 1767

Hoewel ik eerst dacht dat die achternaam aangaf dat hij uit het, dicht bij Olst gelegen, plaatsje Holten kwam (waarmee de hele lijn met Weesp van tafel zou zijn) bleek dat niet het geval. Jan Bruins en zijn vrouw Maria Dirks kregen tussen 1720 en 1740 kinderen in verschillende plaatsen tussen Kampen en Deventer. Waarschijnlijk had hij dus een beroep waarvoor hij de IJssel op en af voer. Zou hij houthandelaar geweest kunnen zijn? Net als zijn zoon Dirck later? Dan heeft zich wellicht gewoon naar zijn nering genoemd.

Bruns blijft niet zijn hele leven bij de IJssel. Maria en hij verhuizen naar Breukelen waar hun dochter Margaretha in 1758 trouwt. Hun zonen vertrekken naar Amsterdam. Drie van hen treden daar in het huwelijk. In de huwelijksakte van zoon Willem worden hij en zijn vader Van Holten genoemd. Jan en Dirck gebruiken de naam Van Houten.

Toeval?

Helaas is het niet gelukt te ontdekken waar onze Bruins van Holten, geboren rond 1700, zelf nou vandaan kwam. Maar als hij op zijn oude dag terug naar huis ging, ligt Breukelen wel erg dicht bij Weesp… De kans is echter groot dat deze familie zich pas Van Holten/Houten ging noemen toen Bruins die naam aannam. Tot die tijd heette hij Jan Bruinszoon en met alleen zijn vaders voornaam is het lastig verder zoeken in een tijd waarvan maar weinig bronnen bewaard zijn.

Wie waren dan die gebroeders Van Houten in Weesp in 1667? Waarschijnlijk dus in elk geval geen familie van de latere cacaofabrikanten. Misschien waren het mannen die met de WIC voeren en zelf cacao meenamen. De compagnie had meerdere mannen met die naam in dienst. Maar de naam kwam in de buurt van Amsterdam destijds veelvuldig voor. Hun cacaopoeder lijkt in elk geval geen succes te zijn geworden. Het blijft bij die ene advertentie en van hen en hun uitvinding wordt niets meer vernomen.

En dan rest ons niets anders dan (met grote tegenzin!) te moeten concluderen dat hier sprake is van een enorm toeval. Zelfde naam, zelfde plaats, zelfde product, maar geen familie…

Recept

Een treurig resultaat vindt u? Ja, misschien wel. Gelukkig is er troost. De aanleiding van deze hele onderneming  was tenslotte een recept met chocolade. En het wordt nog beter: het is een recept voor sterke drank met chocolade.

Dit recept is afkomstig uit het archief van dr. Raupp dat te vinden is bij het BHIC in Den Bosch. Daarin bevindt zich een katern met allemaal recepten voor sterke drank. De basis voor alle recepten is het trekken van smaakmakers in eau de vie (likeur gestookt van vruchten), waarna siroop wordt toegevoegd en de drank opnieuw gestookt wordt.

Hoewel stoken in Nederland illegaal is, is deze manier dat niet. Er is tenslotte netjes btw betaald over de eau de vie. Maar het apparaat dat men voor dat stoken nodig heeft, mag men officieel niet bezitten. Een lastig parket, zoals u begrijpt. Deze keer los ik dat op door de drank niet opnieuw te stoken (spoiler alert: dit levert een prima drankje op) maar hopelijk kan dat later nog eens anders.

Het recept is berekend op een klein leger en daarom heeft uw Archiefkok de hoeveelheden even door vier gedeeld:

  • 1, 4 liter Eau de vie (is erg duur, Kirschwasser kan ook prima)
  • 50 gram cacao nibs
  • 1 vanillestokje
  • 500 gram suiker
  • 750 ml water
  • Weckpot

Cacaonibs zijn dankzij de raw food beweging weer helemaal hip. U kunt ze daarom makkelijk kopen bij de notenzaak of een natuurvoedingswinkel.

Aan de slag

Snij het vanillestokje open en haal met een scherp mesje het merg eruit. Doe dat en de lege peul in een grote schone weckpot. Doe de cacao nibs erbij en giet de Eau de vie erover. Laat dit samen twee weken trekken.

Zeef de Eau de vie en zet apart. Breng in een pan het water en de suiker langzaam aan de kook. Laat een minuutje of tien doorkoken zodat de siroop wat dikker wordt. Doe de siroop bij de Eau de vie en laat samen nog een nacht trekken.

Aan de borrel

Eau de vie heeft van zichzelf een scherpe geur en smaak. Tijdens de eerste week van het trekken vroeg ik me dan ook regelmatig af of dit wel goed zou komen. Maar halverwege week twee begonnen de geuren en smaken van de cacao en de vanille te overheersen. Na het toevoegen van de siroop bleek echter dat de smaak van de cacao het onderspit had gedolven. De likeur smaakte nu vooral zoet met een sterke hint van vanille. Ook de kleur was veel lichter geworden.

Daarom besloot ik de drank opnieuw te laten trekken met cacaonibs. Ik voegde nog 100 gram toe en wachtte nog een week. Dat bleek te kort. Het drankje was nog niet veel donkerder geworden en de jury, die blind proefde, haalde de smaak van cacao er niet meteen uit. Pas als de zoete smaak van de siroop is verdwenen, blijft de vettige, licht bittere smaak van cacao achter op de tong.

Is eau de cacao dan niet lekker? Dat heeft u mij niet horen zeggen. Eerlijk gezegd is het heerlijk. Het perfecte digestief voor de feestdagen. Of, zoals de jury fantaseerde, als ingrediënt van een goed dronken trifle. Volgende keer dat ik het maak, laat ik het alleen wel langer trekken en gebruik ik minder suiker. Of heb ik eindelijk iets bemachtigd om te kunnen destilleren.

Links

Archiefstuk waaruit dit recept afkomstig is

Bij het Nationaal Archief bevindt zich de fotocollectie Van Houten

Tekening van de tredmolen op de Prinsengracht

 

 

Mandareinengelei

Volgens het woordenboek is een traditie een gebruik of een gewoonte die van de ene op de andere generatie wordt doorgegeven. Dat zo’n traditie niet immuun is voor verandering, merken we elk jaar aan de discussies rond Zwarte Piet. Sommige tradities veranderen maar moeizaam. Andere tradities daarentegen, zoals Kerstmis, doorlopen geruisloos een  flinke metamorfose. Vierden we Kerst vroeger alleen in de kerk en met lekker eten, nu versieren we het hele huis en nodigen de Kerstman uit inclusief rendieren en cadeaus.

Een enkele keer worden nieuwe tradities ingevoerd, zoals het van oorsprong Ierse Halloween. Op 31 oktober, de avond voor Allerheiligen,  trekken kinderen verkleed met lampionnen langs de deuren om snoep op te halen. Traditioneel was dit de dag dat de oogst volledig binnen moest zijn. Voor de harde werkers een moment om tot rust te komen en de resultaten van hun werk te delen met de allerarmsten. In de negentiende eeuw namen Ierse immigranten het feest mee naar de Verenigde Staten en twee eeuwen later waaide het over naar het vaste land van Europa.

Sint Maarten

In Nederland concurreert het feest in sommige streken met het vergelijkbare Sint Maarten. Dit feest, dat elf dagen later plaatsvindt, heeft ongeveer dezelfde oorsprong als Halloween. Ook hier gaat het om een oogstfeest, alleen dan gekoppeld aan de sterfdag van Martinus van Tours. Deze bisschop en fervent stichter van kloosters, speelde in de vierde eeuw een belangrijke rol in de verspreiding van het christendom in Europa en stond bekend om zijn vrijgevigheid. Zo zou hij de helft van zijn mantel hebben weggegeven aan een bedelaar die buiten de poort van Amiens stond te klappertanden.

Viering van Sint Maarten in Düsseldorf 
Heinrich Hermanns, 1905

Nadat Martinus op elf november 397 was begraven in de basiliek van Tours, raakte hij niet in de vergetelheid. Er werden kerken in zijn naam gebouwd en keizer Karel de Grote liet in de negende eeuw regelmatig missen aan hem opdragen. In Nederland werd hij de beschermheilige van de stad Groningen, waar de Martinikerk naar hem werd genoemd, en van de stad Utrecht, waar een paar van zijn botjes in de Dom worden bewaard. Daarnaast werd de dag van zijn begrafenis op veel plekken jaarlijks herdacht met een feest.

Tijdens dat feest gingen kinderen zingend langs de huizen met kaarsjes in uitgeholde bieten, koolrapen en wortels om lekkers op te halen. De buit verzamelden ze een zogenaamde scuddecorf. Dit is een rieten mand die aan het eind van de avond boven een vuur werd opgehangen en daarna flink heen en weer werd geschud. Alle aanwezigen moesten vanaf dat moment hun best doen een deel van de buit te bemachtigen (zei iemand daar pinhata?).

Dat vuur liep echter regelmatig uit de hand. Halverwege de vijftiende eeuw hadden jongens in Dordrecht het zo bont gemaakt (ieder stuk hout waar men de hand op kon leggen, inclusief straatmeubilair en vensterbanken waren in de vlammenzee verdwenen) dat de vuren werden verboden. Ook in Utrecht en Kennemerland werden later dergelijke verboden ingevoerd. In de late negentiende eeuw verzuchtte een journalist dat men deze Sint Maartensvuren misschien nog van naam kende maar dat niemand deze terug wenste. Daarvoor ontaardden deze “te dikwerf in onmatigheid en losbandigheid”.

Advertentie van Vroom en Dreesman uit 1959

De viering van Sint Maarten heeft nooit een landelijk karakter gekregen. In sommige streken, zoals de Zaanstreek en Groningen is het feest echter nooit weggeweest. Daar lopen nog steeds kinderen zingend met hun lampion langs de huizen of door de winkelstraat. Uw Archiefkok kwam er voor het eerst mee in aanraking toen zij, op precies de goede leeftijd van acht jaar, in een dorpje onder de rook van Amsterdam kwam te wonen. U kent mij intussen een beetje dus ik hoef u waarschijnlijk niet te vertellen dat ik mijn geluk niet op kon.

Over het algemeen was de buit van zo’n avond heel behoorlijk, al waren er ook altijd van die verantwoorde buren van wie je fruit kreeg. Een goed rondje Sint Maarten leverde dan ook niet alleen een zak met snoep op, maar ook zeker een mandarijn of acht. Voor wie dat eerder deze maand ook overkomen is, dacht ik een recept te hebben om het leed iets te verzachten. Dat blijkt echter niet het geval.

Recept

In het archief van de families Vissering, Wiemann, Cnoop en anderen (die allemaal door huwelijk aan elkaar verwant zijn) trof ik een recept voor mandarijnengelei.

Nu dacht ik altijd dat de gewoonte om van alles en nog wat in gelei te serveren, uit de jaren zeventig dateerde. Dit recept is echter iets ouder. De schrijfster overleed in 1966. De gelei wordt gemaakt met behulp van gelatine, dat gewonnen wordt uit de botten van dieren. Maar dat hoeft u uw gasten natuurlijk niet te vertellen.

Aan de slag

Voor deze gelei heeft u nodig:

  • Vier ongewenste mandarijnen
  • Een liter water of (en da’s aan te bevelen) een halve liter water en een halve liter zoete Duitse wijn
  • Het sap van twee citroenen
  • 250 gram suiker
  • 35 gram gelatine
  • Twee eiwitten
  • Een puddingvorm

Haal de blaadjes gelatine van elkaar en leg ze in een bak met koud water. Laat ze daarin vijf minuten weken. Klop daarna de eiwitten een beetje los.

Zet een pan op laag vuur en verwarm daarin  het water (nog niet de wijn!), de suiker, het citroensap, de eiwitten en de uitgeknepen blaadjes gelatine. Het nut van die eiwitten is uw Archiefkok niet helemaal duidelijk, al hebben deze de bijzondere eigenschap onzuiverheden uit vet te kunnen filteren. Wellicht zijn ze bedoeld om de gelei helder te maken. Dat is echter niet gelukt.

Breng het geheel langzaam aan de kook en schep het schuim van het eiwit van de vloeibare gelei af. Pel ondertussen de mandarijnen en verwijder zoveel mogelijk van de witte draadjes.

Voeg de wijn toe aan de gelei en zorg dat het niet meer kookt (anders vervliegt de alcohol).

Schep met een flinke lepel een deel van de gelei in de puddingvorm en laat deze zo snel mogelijk opstijven. Dat kan in de koelkast of eerst in een bak met koud water en ijsklontjes. Zodra de gelei is gestold, legt u er een laagje mandarijnen op en giet u er een nieuwe laag gelei op. Dat proces herhaalt u tot de vorm vol is. Dat kan wat meer tijd in beslag nemen dan u had verwacht. In de koelkast kunt u de gelei wel een paar dagen bewaren .

Aan tafel

Omdat ik de eerste keer de aanwijzingen op de verpakking van de gelatine niet had gelezen, werd mijn eerste gelei niet stijf. De tweede poging leverde geen problemen meer op, maar was (tot opluchting van mijn gast) veel te laat klaar om nog als toetje te kunnen eten. Vanaf dat moment stond hij me in de koelkast aan te staren. Eerlijk gezegd, had ik er zelf ook niet veel trek in.

Op maandag besloot ik echter dat het zo niet langer kon en zette de vorm in een bak warm water zodat deze los kon komen. Iets te lang bleek achteraf, want de zijkanten werden volledig vloeibaar en van de mooie puddingvorm was niets meer te zien. Erg jammer want van die vorm bleek ik het te moeten hebben. Het werd me namelijk na één hap al duidelijk waarom wij tegenwoordig niets meer in gelei eten.

De gelei zelf was troebel geel, voelde een beetje gek in de mond maar smaakte in de verte gelukkig wel een beetje naar wijn. De mandarijnen waren echter vreselijk taai. Het ontvellen van mandarijnen is monnikenwerk maar was hier waarschijnlijk de moeite waard geweest. Misschien was de ratio mandarijn-gelei dan ook iets beter geweest want nu was de gelei met stip in de meerderheid. Maar laat ik maar eerlijk zijn, ook dan was de hele bak waarschijnlijk in de vuilnisbak belandt. Gelukkig is er nog Sint Maarten snoep.

Links

Archiefstuk waaruit dit recept afkomstig is

Wiki over Martinus van Tours

Zachte nouga van Balthasar

Zachte noga was tot ver in de negentiende eeuw zeldzaam in Nederland. Alleen de beste chocolatiers importeerden het uit Franse steden als Marseille of Montélimar, nog altijd bekend als dé noga-hoofdstad. Zelf maken konden ze het echter niet. Dat vereiste een vaardigheid die de Nederlandse bakkers niet machtig waren. Ook voor uw Archiefkok bleek het bepaald geen sinecure. Maar daarover later meer.

Ook in Nederlands-Indië werd noga gegeten: 
advertentie uit de Java-bode van 1861

Over de herkomst van noga, een lekkernij op basis van geroosterde noten, honing en eiwit, wordt druk gesteggeld. In Europa vechten de Italianen en de Fransen om de oudste rechten. De Italianen kunnen daarbij een beroep doen op het kookboek De Re Coquinaria uit de vierde eeuw. De recepten in dat boek gaan terug tot de Romeinse lekkerbek Apicius, die rond het begin van onze jaartelling leefde. Naast aanwijzingen voor het bereiden voor gevulde varkensbaarmoeder, saus voor bij flamingo en kip met duivelsdrek, is daarin ook een recept te vinden voor een zoet gebakje van honing, eieren en walnoot. De eerste noga?

Niet helemaal. Waarschijnlijk maakten de Romeinen kennis met de noga via de handel met het nabije oosten. Of zelfs het wat verdere oosten. Tussen de recepten van Apicius bevindt zich ook een recept voor erwten op Indische wijze. Door de vele handelsbetrekkingen kwamen de smaken van alle windstreken naar Rome. Het meest voor de hand ligt echter dat de noga afkomstig is van de Arabieren. Zij cultiveerden als eerste allerlei verschillende noten zoals  amandelen en walnoten. Bovendien bakten ze graag en veel met honing.

In een Arabisch kookboek uit de tiende eeuw, Kitab al-Tabikh of Boek van Gerechten, zijn meerdere recepten voor noga te vinden. De schrijver van het boek, Ibn Sayyar al-Warraq, legt de oorsprong ervan in Harran, een plaatsje op de grens tussen het huidige Syrië en Turkije. Van de naam noga was geen sprake. De zoetigheid werd natif genoemd, wat letterlijk zoiets betekent als gedruppeld. Die betekenis had uw Archiefkok graag geweten voordat ze zelf noga ging maken, dat had wat ellende gescheeld.

Twee pagina's uit een manuscript van de Kitab al-tabikh 
Bron: De Nationale Bibliotheek van Finland

De natif vond zijn weg naar het Romeinse rijk maar de naam hield geen stand. De Romeinen noemden het panis nucatus, oftewel notenbrood. Dit werd in de westelijke uiteinden van het Romeinse Rijk verbasterd tot pan nogat dat weer nogat/nougat werd. Die naam bleef uiteindelijk alleen in Frankrijk hangen en kwam zo ook in Nederland terecht. In Spanje en Italië wordt de noga turron en torrone genoemd. Die namen zouden zijn afgeleid van het Latijnse torrere dat roosteren betekent.

Recept

Het liefst zou ik nu nog even doorgaan met al deze etymologie. Het moment is echter aangebroken dat ik u een bijzonder plakkerig en nogal onsuccesvol avontuur moet gaan vertellen. Hoewel… Misschien kunnen we nog één afslagje maken.

In de collectie van uw Archiefkok bevinden zich een stuk of tien recepten voor noga. Dol als ik er op ben, was het zelfs één van de allereerste recepten die ik ruim drie jaar geleden uitprobeerde. Waarom dat nog niet eerder een blog opleverde? Omdat de noga’s van Catharina Schimmelpennick, Hildegonda van Randwijck, Paulina Deutz van Assendelft en al die anderen niet de noga is die wij vandaag de dag kennen.

Tot in de twintigste eeuw maakte men in Nederland zogenaamde bruine noga, die we vandaag eerder nougatine zou noemen. Deze wordt gemaakt van niets anders dan suiker en amandelen en misschien een beetje boter. Dit tandenbrekend harde snoepgoed lijkt de enige noga te zijn geweest die men in Nederland kon maken. Zachte noga wordt gemaakt met eiwit en dat hadden de thuisbakkers blijkbaar niet onder de knie. Pas rond 1900 adverteren de eerste professionele bakkers met zelfgemaakte zachte nougat.

De Haarlemse kok en banketbakker Balthasar Reeser was er zo eentje. Hij werkte van 1870 tot 1926 aan de Koningsstraat in Haarlem en deed daar goede zaken. Zijn succesvolle recepten kwamen later terecht bij het Noord Hollands Archief. Het grote nadeel van dat boekje is dat er vaak weinig meer in staat dan ingrediënten. De minimale aanwijzingen die hij geeft voor deze nouga zijn een uitzondering. Honing gebruikte Balthasar niet. Alleen glucosestroop. Omdat hij in grote hoeveelheden bakte, deelde ik zijn recept eerst door twee.

  • 250 gram suiker
  • 375 gram blanke (=glucose) stroop
  • Beetje water
  • 3 eiwitten
  • 150 gram amandelen
  • Ouwel/eetbaar papier
  • Pan met dikke bodem
  • Suikerthermometer

Aan de slag

Links de zelfgemaakte glucosestroop

Voordat u noga gaat maken, heb ik eigenlijk maar één echte tip: doe het niet. Koop noga. Het is lekkerder, het scheelt u uren werk (die vooral in de schoonmaak gaan zitten) en het voorkomt teleurstellingen. Scroll hiervoor naar onderen en klik op de laatste link. Al staat het u uiteraard vrij om verder te lezen.

Omdat ik niet wist dat glucosestroop redelijk makkelijk te krijgen is bij de betere kookwinkel, maakte ik het eerst zelf door druivensuiker met water in te koken tot stroopdikte. Niet zo’n goed plan. Niet alleen kostte het veel tijd maar aan het eind was het ook nog eens geel in plaats van doorzichtig en nog lang niet dik genoeg. Alleen wist ik dat niet. De noga die ik ermee maakte, smaakte lekker  maar was na twee dagen drogen nog altijd bijna vloeibaar.

Voor poging twee gebruikte ik dan ook glucosestroop van meesterbakker Holtkamp. Dat is een superkleverig goedje dat, als u niet oppast, plots op alle keukendeurtjes blijkt te kleven, in uw haar zit en er bovendien de oorzaak van kan zijn dat uw schoenen steeds blijven kleven. Al kon dat, eerlijk is eerlijk, ook komen doordat ik al even niet gedweild had.

De glucosestroop en de suiker deed ik samen met wat water (afwezig in elk ander nogarecept ter wereld) in de pan en dat liet ik samen smelten. In het recept staat dat men dit moet koken tot unevillen of unevellen? Bedoelde hij soms ulevellen? Uw Archiefkok kwam er niet uit. Maar wat er ook staat is, zeker is dat Balthasar kookte in een tijd dat er geen suikerthermometer bestond. Hij moest aan de kleur en dikte van de suiker aflezen wanneer deze de juiste temperatuur had. Het onleesbare woord zal die staat beschrijven. Tegenwoordig weten we dat die perfecte temperatuur 140 graden is en kunnen we gelukkig een suikerthermometer gebruiken.

Terwijl de suiker opwarmde (duurde ongeveer een half uur) vette ik een vierkante bakvorm in met een beetje olie en bekleedde deze met bakpapier alvorens ik er de velletjes ouwel inlegde. Daarna klopte ik de eiwitten stijf met de mixer. Ook roosterde ik de amandelen kort in de oven. Dat staat niet in Balthasars recept maar na poging één had ik me al wel wat ingelezen. Geroosterde amandelen zijn lekkerder en door de warmte makkelijker door de nouga te roeren. Zo komen de Spanjaarden en Italianen dus aan turron en torrone.

En dan komen we aan bij het punt waarop ik van Balthasar de suiker door de eiwitten moest roeren met een spatel. Dat was het moment dat de betekenis van natif van pas was gekomen. Want ik goot de hete suiker weliswaar niet in één keer door het eiwit, maar ook niet echt druppelsgewijs. Bovendien vertelt Balthasar niet dat met die spatel net zo lang geroerd moet worden tot de eiwitten hard worden. Ik roerde slechts tot de suiker in hete eiwit was opgenomen en mijn glanzende eiwit nog altijd heel zacht en plakkerig was. Daarna roerde ik de amandelen erdoor en  spatelde alles in de vorm. Dit alles ging overigens niet zo gemakkelijk als het hier staat. De keuken en ikzelf plakten opnieuw van onder tot boven.

Daarna liet ik de noga afkoelen, schrobde mezelf grondig af en ging de deur uit voor een leuk weekend. Verzekerd van de wetenschap dat ik mijn collega’s maandag heerlijke noga kon voorzetten. Dat liep helaas anders.

Aan tafel

           

Als u bovenstaande foto’s ziet, vraagt u waarschijnlijk waarom ik zo loop te zeuren over een mislukking. Die noga ziet er toch geweldig uit? Eens! Maar dat komt doordat ik vals heb gespeeld. Net als poging één wilde deze noga niet hard worden. Het lag dus niet alleen aan mijn glucosestroop, maar vooral aan het niet lang genoeg spatelen. De noga was weliswaar niet vloeibaar maar veel te zacht om te kunnen snijden.

Omdat de moed voor een derde poging mij ontbrak en ik toch een foto nodig had, heb ik de hele schaal twee uurtjes in de vriezer gezet. Daarna had ik precies tien minuten om de noga te snijden en te fotograferen, voordat het begon te smelten. Mijn collega’s hebben dus nooit noga gezien en alles belandde in de vuilnisbak. Nou ja, alles… Noga blijk je ook prima te kunnen eten met een lepel.

Links

Archiefstuk waaruit dit recept afkomstig is
Nederlandse vertaling van de recepten van Apicius
Noga kopen

Magere soep voor vette tijden

‘Op televisie zijn alle Ethiopiërs dik’ schreef Olaf Tempelman eerder deze week in de Volkskrant. Dat dat bepaald geen afspiegeling is van de Ethiopische samenleving mag duidelijk zijn. Alleen de allerrijksten van het land kunnen zich veroorloven overvloedig te eten. De televisie werkt er echter net zoals bij ons: het toont een voor de meeste mensen onbereikbaar schoonheidsideaal.

Dat in Nederland slank al decennialang de mode is, is niet verwonderlijk. We hebben al bijna zeventig jaar eten in overvloed en velen van ons hebben moeite er af te blijven. Wie dat wel lukt, wordt alom geprezen (en komt in aanmerking voor een televisiecarrière). Voor uw Archiefkok is dat een moeilijk te verteren gang van zaken. Niet omdat ik op televisie wil (dan moet er eerst een paar kilo af) maar omdat de recepten die ik u voorschotel uit een tijd stammen dat die slanke lijn een teken van pure armoede was. Meestal zit er in één gerecht meer boter dan een gemiddelde soapactrice in een jaar eet.

Als ik dan eens wat slanks voor u wil koken, kom ik altijd uit bij het archief van het Voedingscentrum. Dat zette ons in de jaren zeventig op dieet met weinig fantasievolle gegrilleerde [sic] karbonades, salades met vetarme dressing of een in een minuscule hoeveelheid margarine gebakken kipfilet. Daar zouden u en ik ongetwijfeld van afvallen, maar smakelijk is anders en een goed verhaal heb ik er ook al niet bij.

Daarom heb ik mij deze keer gewend tot een oude culinaire vriend: Maarten baron van der Goes van Dirxland. Eén van de weinige mannen die zich in de achttiende eeuw tot het schrijven van een kookboek zette. Hij gaf het de prachtige titel ‘Tot smullen uitgedagd’. Dat zijn recepten niet altijd om te smullen zijn, ontdekten we al eens bij het proeven van zijn behoorlijk vieze aardappeltaart en niet zo smakelijke rundvlees in azijn. Over zijn leven hebben we het echter nog nooit gehad. Zijn magere bonensoep is een mooie gelegenheid die omissie goed te maken.

Portret van Maarten met arm op Napoleontische wijze
Bron: Rijksinstituut voor Kunsthistorische documentatie

Maarten van der Goes 

Als zoontje van de burgemeester van ’s-Gravenhage had Maarten van der Goes een goede start in het leven. Hij zou al op zijn achttiende benoemd zijn tot secretaris van die stad. Zijn ambities rijkten echter verder. Hij verliet Den Haag en werkte als  gezant van stadhouder Willem V onder andere aan het Deense en Spaanse Hof.

Een groot aanhanger van de absolutistische stadhouder was hij echter niet. De Franse verlichtingsidealen spraken hem meer aan. Nadat de stadhouder door de Franse en patriottische legers was verdreven, besloot hij zich dan ook in te zetten voor de nieuwe, meer democratische,  Bataafse Republiek, die geleid werd door de Nationale Vergadering. Hij werd agent en later secretaris van Buitenlandse Zaken. Nadat Napoleon de republiek inlijfde bij zijn Franse Rijk, schopte hij het zelfs tot minister.

Dat Maarten voor zijn werk veel reisde, zien we ook in zijn kookboek. In 1796 schreef hij op de titelpagina dat het boek in Holland was geboren en daarna een verdere ‘opvoeding’ had gekregen in Duitsland, Denemarken, Engeland, Spanje en Frankrijk. Omdat hij en zijn vrouw Geertruida in elf jaar huwelijk geen kinderen hadden gekregen, meldde hij ook vast dat het na zijn dood ter hand gesteld moest worden aan neefje Carel van der Goes.

Hoe Maarten aan zijn recepten kwam, weten we helaas niet. Alleen bij een maagdrank heeft hij geschreven dat het van geneesheer Kretsmar afkomstig was. Ontfutselde hij de chefs van buitenlandse koningen hun geheimen? Liet hij zijn vrouw haar vriendinnen uithoren? In elk geval liet hij haar het “vruchtgebruik” van de recepten, wat waarschijnlijk inhield dat zij met de keukenmeid het menu van de dag mocht bespreken.

Lang heeft ze dat overigens niet kunnen doen. Geertruida de Eerens overleed in 1803 waarna Maarten trouwde met de veel jongere Constance Louise de Bosset. De Nederlandse ambassadeur in Parijs Rutger Jan Schimmelpenninck keek er hoofdschuddend naar. Vergeleken met de waardige Geertruida vond hij Constance maar een leeghoofd en hij noemde haar een nuffig en nietig vrouwtje dat als geen ander de verveling kon uithangen. Volgens hem was Maarten met haar ‘gefopt’ en had hij zich niets dan onaangenaamheden op de hals gehaald.

Zelf lijkt Maarten er anders over gedacht te hebben. Constance gaf hem een zoon die Louis Napoleon werd gedoopt, naar de koning. Het jonge gezin woonde op de buitenplaats Oostbroek, op de grens van Den Haag en Loosduinen. De laatste boerderijen van die hofstede maakten in 1929 plaats voor wat nu de De la Reyweg is. Maarten genoot van het familieleven en hield in de periode 1808-1810 een dagboek bij van hun huiselijk leven. In 1814 werd hij door de, als Koning Willem I teruggekeerde, stadhouder in de adelstand verheven.

Laatste boerderij van buitenplaats Oostbroek in 1929
Bron: Haags Gemeentearchief, Hans Nieuwenhuis

In 1826 overleed Maarten op het kasteel Ter Noot (waar eeuwen later toevalligerwijs het ministerie van Buitenlandse Zaken zou verrijzen). Louis Napoleon erfde de titel baron van der Goes van Dirxland en waarschijnlijk ook de recepten. Nadat de mannelijke lijn van de Van der Goes van Dirxland in 1945 was uitgestorven, werd het archief van de familie inclusief kookboek door een ver familielid aan het Algemeen Rijksarchief geschonken.

Recept

Door al die staatsbanketten zal Maarten ongetwijfeld niet de slankste zijn geweest. Op zijn portret zien we dan ook een kleine onderkin. Een dieet was echter niet nodig, dik was de mode. Maar in de vastentijd deed iedereen wel een stapje terug. Dan werd er bijvoorbeeld minder vlees gegeten. Zo’n vegetarisch recept wordt altijd omschreven als ‘mager’. Dat er hele hompen boter in verdwenen, telde blijkbaar niet mee.

  • 500 gram droge witte bonen
  • 2 grote uien
  • 1 prei
  • Vijf stengels bleekselderij
  • Flinke hand peterselie
  • Vier kruidnagels
  • Boter
  • Brood

Aan de slag

Spoel de witte bonen af onder de kraan en laat ze een nacht weken in ruim water.

Pel de uien en steek er de kruidnagels in. Snij de prei en de bleekselderij in grove stukken en was deze.

Doe alles bij elkaar in de pan, voeg een liter water toe,  breng aan de kook en laat een kleine twee uur koken.

Na het koken, giet u de soep door een zeef en laat de bonen en groenten even uitlekken. Van Maarten mag u dit niet te lang doen. We gaan voor een heldere bouillon, niet voor een dikke pureesoep.

Snij ondertussen het brood in reepjes en zet een koekenpan op het vuur met een flink stuk boter en een klein beetje bloem. Bak daarin de broodreepjes.

Doe het brood in een soepbord en schep de bouillon erover.

Aan tafel

Eerlijk is eerlijk, uw Archiefkok had vooraf geen grote verwachtingen van de magere bonensoep. Wat Maarten smullen vond, vinden we tegenwoordig niet echt hoogtepunten van de gastronomie. U kunt er de aardappeltaart nog eens bij pakken. Verrassend genoeg blijkt deze bonensoep wel heel lekker. De bonen maken de bouillon zoetig en de kruidnagel geeft het geheel een beetje pit.

Wat we echter missen, is zout. Misschien was Maarten niet zo’n zoute eter of bakte zijn huishoudster het brood in zoutere boter dan we vandaag gewend zijn, voor onze smaak is deze soep in elk geval te flauw. En mager wordt u er ook niet van. Die in boter gebakken soldaatjes zijn veel te lekker! Op het moment van schrijven heeft uw Archiefkok zich al door drie plakken brood heen gewerkt. Morgen dus toch maar een gekookt stukje kabeljauw van het Voedingscentrum. Of naar Ethiopië verhuizen.

Links

Het kookboek van Maarten is door het Nationaal Archief helemaal gedigitaliseerd

Artikel van Olaf Tempelman (alleen voor abonnees)

Meer over de Bataafse Republiek

Meer over Koning Lodewijk Napoleon

Yoghurtsoep

We gave you hummus, have some respect” schreef een jonge moslima in februari op een groot bord. Ze protesteerde daarmee tegen de zogenaamde travel ban die de Verenigde Staten net hadden afgekondigd, een inreisverbod voor inwoners van overwegend islamitische landen. Grappig natuurlijk, maar met een flinke kern van waarheid. Want hoe zouden onze borden eruit zien als we nooit hadden mogen proeven van die van anderen?

Als uw Archiefkok door Nederlandse kook- en huishoudboekjes van rond 1900 bladert, wordt het haar soms droef te moede. De meeste recepten zijn erop gericht zo economisch mogelijk met voedsel om te gaan: zo veel mogelijk voedingswaarde voor zo weinig mogelijk geld. Ook de huishoudscholen die in deze periode opkwamen, hadden dat als missie. Smaak was ondergeschikt. Een goede huisvrouw draaide iedere dubbeltje twee keer om en kookte elke avond aardappelen met kool of bieten en wat spek erbij.

Nederlanders die een tijdje in Indië doorbrachten, leerden dat het ook anders kon. De kruidige lokale keuken moet voor velen een aaneenschakeling van prettige verrassingen zijn geweest. Geen wonder dat zij die het konden betalen, bij terugkeer hun ‘kokki’ meenamen.

Wie ná 1948 gedwongen naar Nederland terugkeerde, had het veel minder breed. Zij moesten dus, misschien wel voor het eerst, zelf aan de slag in de keuken. Het Voorlichtingsbureau voor de Voeding hielp hen daarbij met een speciale brochure vol recepten. Daarmee konden de terugkeerders niet alleen wennen aan het koken, maar ook meteen aan de Hollandse kost. De eerste recepten zijn nog Indisch, voor lekker kruidige groentegerechten. Maar dan gaat het al snel naar aardappelen, stamppot en rode kool met appeltjes.

Toen de eerste gastarbeiders in de jaren vijftig uit Italië, Spanje en Portugal arriveerden, werd ook hen de Hollandse pot voorgezet. Het waren bijna altijd ongehuwde mannen, die een contract van maximaal twee jaar kregen. Het was immers niet de bedoeling dat hele gezinnen zouden overkomen en zouden blijven. De meesten van hen woonden in pensions met kost en inwoning en kregen daar van de pensionhoudster een overdosis aardappels en brood met kaas.

De Italiaanse gastarbeiders van Hoogovens, die gevestigd waren op een groot woonschip, waren er in 1961 helemaal klaar mee. Er brak een heus spaghettioproer uit waarbij het werk werd neergelegd. Achttien van de stakers verloren daarbij hun baan en moesten terug naar huis. Uiteindelijk werd het doel wel bereikt. Er werden Italiaanse koks aangesteld en voortaan kreeg men twee warme maaltijden per dag.

In 1964 sloot de Nederlandse regering een wervingsdeal met Turkije. De Nederlandse industrie had veel mensen nodig terwijl Turkije kampte met hoge werkeloosheid. Opnieuw waren jonge en ongehuwde mannen het meest in trek en Nederlandse pensions deden goede zaken. Maar wat zouden die Turkse mannen willen eten? Vastbesloten een nieuw spaghettioproer te voorkomen, bood het Voorlichtingsbureau voor de Voeding raad. Zij brachten de prachtige brochure “Wat zetten wij onze Turkse gasten voor?” uit. Met op de voorkant een berglandschap met minaret en schattig geitje en binnenin een aantal echt Turkse recepten.

Tussen die recepten bevindt zich onder andere een recept voor pilav, een recept dat sinds de jaren negentig bij uw Archiefkok thuis veel op tafel kwam. Uit de brochure leer ik dat pilav eigenlijk alleen rijst is die op een speciale manier wordt klaargemaakt (wassen, bakken, koken en dan nog stomen). Er blijkt geen sprake te zijn van de bij ons thuis zo onmisbare perziken uit blik of van een flinke lik pindakaas door de saus. Het meest geïntrigeerd raak ik door één van de eerste recepten: Yayla Corbasi, yoghurtsoep.

Recept

Zodra ik mensen vertel dat ik een recept heb gevonden voor yoghurtsoep, is de reactie overal hetzelfde: meewarige blikken en de vraag: “Soep, als in warm?” Ja, soep als in warm. Een rondje bladeren door Turks-Nederlandse foodblogs laat zien dat het Voorlichtingsbureau wist waar het over sprak. Yayla corbasi staat bij menig Turks gezin nog altijd regelmatig op tafel en hun recepten wijken nauwelijks af van dit exemplaar.

Yayla, het Turkse woord voor yoghurt, blijkt eigenlijk bergweide te betekenen. Het is een idyllische plek waar de koeien worden geweid en waar van oudsher dus die heerlijke Turkse yoghurt wordt gemaakt. Wie er plaatjes bij zoekt, komt in een zonnig Milka-landschap terecht. Die Turkse bergyoghurt is heel anders en vooral veel dikker dan de Nederlandse. Gebruik voor dit recept dan ook Turkse yoghurt.  Omdat u waarschijnlijk geen pension vol hongerige gastarbeiders hoeft te voeden, delen we de hoeveelheden wel door twee.

  • Water: 1250 ml
  • Bouillontabletten (kip): 1,5
  • Rijst: 75 gram
  • Eieren: 1
  • Bloem: 40 gram
  • Yoghurt: 2 dl
  • Boter: 3 eetlepels
  • Verse of gedroogde munt

Aan de slag

Breng het water met de bouillontabletten aan de kook. Was de rijst en voeg deze toe zodra het water kookt. Kook tot de rijst gaar is (zie daarvoor de verpakking).

Klop in een kom het ei los en roer er de yoghurt en de bloem doorheen met een klein beetje koud water. Waarom dat laatste nodig is, is onduidelijk, maar mijn soep is goed gelukt en waarom zou ik u een andere kant op sturen?

Giet, zodra de rijst lang genoeg heeft gekookt, al roerend een paar lepels bouillon door het eimengsel. Daarna roert u het eimengsel langzaam door de bouillon. Breng op laag vuur aan de kook. De soep zal daardoor binden. Zodra het kookt, mag het vuur uit. Voeg naar smaak nog wat zout toe.

Verhit de boter in een koekepan en bak daarin de munt knapperig. Serveer de soep en schep over ieder bordje of kom wat munt en gesmolten boter.

Aan tafel

De jury van de ‘Turkse avond’ bij de Archiefkok, was prettig verrast. Vooral het jurylid uit Brazilië, dat geen goed woord over heeft voor hoe Nederlanders hun rijst koken, was onder de indruk van de pilav.  Al was dat vast ook omdat ik er uit sentimentele overwegingen een bakje perziken bij gezet had.

De ster van de show was echter de yoghurtsoep. Hoewel yayla corbasi van zichzelf niet erg sterk smaakt, is de structuur geweldig en de rijst erin heerlijk. Door het bakken wordt de munt knapperig en de gesmolten boter maakt de soep nog wat zachter. De kommetjes gingen dus helemaal leeg, Om de soep zelf meer smaak te geven, voegen sommige mensen er gedroogde chilipeper aan toe. Dat ga ik binnenkort ook eens proberen, want deze soep ga ik zeker vaker eten.

Links

Archiefstuk waaruit dit recept afkomstig is

De regiocanon over gastarbeiders van Hoogovens

Wiki over het Nederlandse gastarbeiderprogramma

 

Drabbelkoeken

Oude huizen zijn vaak prachtig. Ze hebben charme, ademen de sfeer van vorige bewoners en kunnen onverwachte schatten bergen achter in de jaren zeventig en tachtig afgetimmerde wandjes en plafonds. Achter diezelfde betimmering kan zich echter ook allerlei horreur schuilhouden waarvan de, door verliefdheid verblinde, huizenkoper het bestaan niet kon vermoeden.

Zo blijken bij uw Archiefkok thuis de stroomleidingen aangelegd door de vloer van de bovenburen. Geen enkel probleem toen deze huizen nog verhuurd werden door de woningbouwvereniging en iedereen zijn meubilair op de kale houten planken zette. Wel lastig als er iets kapot gaat in tijden van laminaatvloeren en inbouwkasten. En nog eens extra als dat gebeurt terwijl de veelbelovende frambozencitroencake in de oven nog lang niet gaar is.

Met hoe het euvel van mijn persoonlijke stroomvoorziening moet worden opgelost, zal ik u verder niet vermoeien. U bent hier tenslotte voor de recepten en niet voor huishoudelijk geklaag mijnerzijds. Voor de cake kwamen wel wat goede suggesties binnen via Twitter. In plakken snijden en opbakken in roomboter was een uitermate goede tip (die ik, ellendig als ik me voelde, ook meteen in daden heb omgezet) maar ook kwam de suggestie voorbij van de wonderpan.

De wonderpan maakt het mogelijk taart en cake te bakken op het fornuis. Het vernuftige design zorgt ervoor dat de warmte van het gas zich ook verspreidt over de deksel, waardoor de taart ook van boven bakt. Deze pan werd in de jaren vijftig van de vorige eeuw als nieuw en revolutionair aangeprezen, maar bestaat in werkelijkheid al eeuwen. Ook in de tijd dat mensen thuis geen oven hadden, bakten ze namelijk al taart. Deze methode, in kookboeken omschreven als ‘met onder en boven vuur’ vereiste een pan met een holle deksel waarin men warme kooltjes kon doen.

De wonderpan is nog altijd populair, zij het onder een wat ander publiek. Mensen die zich voorbereiden op het einde van de wereld en van plan zijn dat probleem glorieus te overwinnen (de zogenaamde preppers) hebben er allemaal eentje in huis. Ondanks dat uw Archiefkok het voorlopig even zonder haar oven moet stellen, stel ik de aanschaf van een wonderpan toch nog even uit. Ik heb namelijk een andere oplossing gevonden: koekjes waarvoor u helemaal geen oven nodig heeft.

Recept

Ik was nog maar een pas beginnende Archiefkok toen ik in het archief van Petronella Heijligers, de oma van premier Cort van der Linden, een recept voor drabbelkoeken vond. Het beslag leek op dat van pannekoeken maar dan met kaneel en rozenwater toegevoegd. Om de koeken te bakken, moest men het beslag door een trechter in kokende reuzel gieten. Iets te ambitieus in een periode dat ik stiekem nog gruwde van alleen al het idee van reuzel.

Nadat ik ook in het Zeeuws en in het Gelders archief een recept voor deze koeken had gevonden (volgens welke je de koeken ook in boter mocht bakken), besloot ik er eens wat dieper in te duiken. Veel informatie is er echter niet. De drabbelkoek lijkt een specialiteit te zijn uit Sneek en wordt zo genoemd omdat het deeg met een trechter in het hete vet wordt ‘gedrabbeld’. Dat betekent dat je de trechter moet bewegen terwijl het deeg eruit loopt, zodat de koek zich opbouwt uit verschillende dunne strengetjes deeg. Ze zouden in Sneek al sinds 1700 worden gebakken  en de Sneeker boterdrabbelkoekenfabriek De Friese Sjees mag zich zelfs al sinds 1880 hofleverancier noemen.

Met die wetenschap gingen de recepten uit Den Haag, Middelburg en Arnhem meteen het raam uit en toog uw Archiefkok naar Tresoar in Leeuwarden. Zoals verwacht, dook ik daar maar liefst zes recepten voor deze koeken op en in dezelfde provincie wist ik ook nog een traditionele drabbelkoekentrechter op de kop te tikken. Niets kon mij nog tegenhouden.

    

Aan de slag (1)

Het eerste recept dat ik probeerde, was afkomstig uit een achttiende eeuws kookboek uit het archief van Eysinga-Vegilin van Claerbergen en werd simpelweg gemaakt met wat meel, vier eieren, een lepel suiker en wat melk. Dat recept is anders dan alle andere die ook boekweitmeel voorschrijven, maar dat had ik even niet in huis. Bovendien ging er maar één lepel suiker in. Had ik hier een gezonde versie van de drabbelkoek te pakken?

Wat ik te pakken had, bleek echter een tot mislukken gedoemde versie. Met zo weinig suiker, kan de koek nooit hard worden. Bovendien had ik iets te veel melk toegevoegd, waardoor het beslag te dun was geworden. Na twee uur boven een pan dampende boter gehangen te hebben, had ik niks anders dan een paar supervette appelflappen zonder appel. Wat mij overigens niet belette om ze met een flinke snuif poedersuiker volledig soldaat te maken.

Aan de slag (2)

In het archief van Koopmans, dat zich bij Tresoar bevindt, zijn drie recepten voor drabbelkoek bewaard gebleven. De oudste versie uit 1958 schrijft voor dat je de koeken in reuzel en kalfsvet bakt. Van latere versies mag dat ook in boter of slaolie. De ingrediënten en hoeveelheden bleven door de jaren echter hetzelfde en dat moet toch iets zeggen over de kwaliteit van dit recept.

  • Tarwebloem: 150 gram
  • Boekweitmeel: 100 gram
  • Suiker: 200 gram
  • Ei: 1
  • Kaneel: drie theelepels
  • Melk: 3 deciliter
  • Beetje zout
  • Olie om in te bakken
  • Kleine steelpan
  • Een regenachtige dag en uw favoriete Netflixserie op de laptop of tablet

Meng de bloem en het boekweitmeel in een kom, breek het ei erboven en voeg de suiker, kaneel en het zout toe. Maak met de melk een mooi en glad beslag.

Verhit een halve liter slaolie in de pan tot deze begint te dampen. Draai het vuur laag en giet steeds een klein beetje beslag in de trechter. Draai deze in kleine rondjes boven de olie zodat de koek zich uit verschillende sliertjes opbouwt. Bak de koek aan twee kanten en neem deze met een schuimspaan uit de olie. Ze zijn nu nog heel zacht. Laat even uitlekken boven de pan en daarna afkoelen op een omgekeerd kommetje. Zo krijgen ze de traditionele, iets bolle vorm.

Terwijl u aan het bakken bent, zult u merken dat uw koeken steeds mooier worden. U krijgt het drabbelen onder de knie, net als het regelen van de temperatuur. Dat mag ook wel, want aan het eind van uw beslag bent u al gauw een uur of drie verder. Een extra pannetje op het vuur kan uitkomst bieden.

Aan tafel

Is het dan tenminste de moeite waard? Ja! Drabbelkoeken zijn knapperig, luchtig en smaken lekker naar frituur. Wie in boter bakt – dat vergt wel nog meer kennis van temperatuurregulatie en een goede drabbelpols – zal een heerlijke vette botersmaak krijgen. Dan zal de koek ook lekker zijn voor dat enkele lid van de jury dat niet van oliebollen bleek te houden en dus ook niet van drabbelkoek. Voor de rest van ons: heerlijk bij een kopje thee op een regenachtige dag. Mocht u dit aan gasten voor zetten, denk dan aan een schoteltje. Ook tijdens het eten blijft het namelijk drabbelen.

Links

Archiefstuk waaruit dit recept afkomstig is

Bij Haga in Sneek hebben ze een deel van het proces intussen geautomatiseerd

 

Arepa di pampuna

Zoals sommigen van u misschien al weten, is uw Archiefkok net teruggekeerd van een vijfweeks verblijf op Curaçao. Daar was ik niet om te snorkelen en te luieren op hagelwitte zandstranden (ok, ok, een beetje misschien) maar om te helpen bij het opzetten van een archiefopleiding. Daarom sliep ik ook niet tussen de rest van de Nederlanders in één van de luxe resorts aan de kust, maar midden in het mooie oude centrum van Willemstad.

Dat oude centrum, Punda, is gebouwd achter het Fort Amsterdam dat de West-Indische Compagnie in 1635 optrok om de haven van het eiland te beschermen. De Nederlandse invloed is hier dan ook goed te zien. Zo zijn de huizen gebouwd van Hollandse bakstenen en rode dakpannen, die per schip uit Nederland werden aangevoerd, en voorzien van een puntdak. Dat dit type dak ontworpen was om niet in te storten bij stevige sneeuwval en totaal ongeschikt was voor de tropische warmte van Curaçao, mocht de pret niet drukken.

De WIC had zijn oog op het eiland laten vallen als uitvalsbasis voor de kaapvaart. Er was een natuurlijke en beschermd gelegen haven en nadat de Portugezen in 1654 de Nederlanders uit Brazilië hadden verjaagd, was Curaçao de laatste post die de WIC nog had in ‘de West’. Vanaf de jaren zestig van die eeuw werd het eiland echter gebruikt voor lucratievere doeleinden. Het werd een doorvoerhaven voor de slavenhandel. De WIC kocht en roofde mensen van de kust van West-Afrika en vervoerde ze naar Curaçao, van waar handelaren ze verder vervoerden naar Noord- en Zuid-Amerika en andere eilanden in het gebied.

De slavenhandel en het besluit van de WIC dat iedereen in Willemstad welkom was om handel te drijven, maakte van Curaçao in korte tijd één van de rijkste eilanden in het gebied. Handelaren kwamen van heinde en ver en een groot aantal van hen vestigde zich er ook. Zo werd het eiland onder andere een toevluchtshaven voor uit Spanje en Portugal verdreven Sefardische Joden. De synagoge die zij in de zeventiende eeuw op het eiland bouwden, is tot op de dag van vandaag in gebruik en de oudste nog bestaande synagoge in het Caraïbisch gebied.

Al die buitenlandse invloeden uit Europa, Amerika en Afrika hadden hun invloed op de cultuur van Curaçao. Waar de bouwstijl eerst Nederlands was geweest, deden er steeds meer Spaanse invloeden hun intrede. Zo werden galerijen gebouwd om de zon uit het huis te kunnen weren en werden de huizen, die ondertussen gebouwd werden van het lokale koraalsteen, witgekalkt. De vrolijke kleurtjes kwamen pas later. De taal die ontstond, het Papiaments, had oorspronkelijk nauwelijks Nederlandse maar des te meer Spaanse, Portugese en Engelse invloeden.

Het bestaan op Curaçao veranderde echter radicaal na de afschaffing van de slavernij in 1863. Het belang van de haven boette in en veel inwoners vertrokken naar andere eilanden om werk te zoeken. De Nederlanders bleven achter en vanaf dat moment werd ook de Nederlandse invloed groter. Dat werd nog sterker nadat in 1914 olie werd ontdekt voor de kust van Venezuela en de Shell een grote raffinaderij op het eiland bouwde. Die trok niet alleen veel lokale werknemers, maar ook vele Nederlandse ingenieurs die zich met hun gezinnen op het eiland vestigden.

De Nederlandse bevolking op het eiland groeide ook door de komst van Nederlandse bruiden. Jonge mannen van goede komaf gingen al vanaf de negentiende eeuw naar Nederland om te studeren en deden daar niet zelden een Nederlandse echtgenote op. Voor wie nog nooit over de grens was geweest, kon het een moeilijke overgang zijn. Niet alleen door de warmte, de veelheid van culturen en het Papiaments dat op straat gesproken werd, maar ook door het onbekende eten. De Curaçaose keuken is al net zo’n mengelmoes als de taal en van de lokale ingrediënten hadden de meeste dames nog nooit gehoord.

Wie een kok in dienst had, had daar natuurlijk niet zo’n last van, maar vanaf de vroege twintigste eeuw konden steeds minder mensen zich dat veroorloven. De Nederlandse dames moesten dus zelf aan de slag om hun gezin te eten te geven. Om hen te helpen, gaf de Curaçaose vereniging van huisvrouwen in 1943 het kookboek Uit de Curaçaose Keuken uit. Het boek was volledig gebaseerd op lokaal verkrijgbare ingrediënten (waaronder schildpad en leguaan) maar gaf geen hoeveelheden aan. Een Curaçaose ‘kokki’ deed namelijk alles op het oog en naar smaak van de familie. Tegenwoordig is het boek nergens meer te krijgen, maar het Nationaal Archief van Curaçao werkt aan een heruitgave.

Recept

Op Curaçao eet men vaak tussen de middag warm en één van de beste plekken om dat te doen is in de Marshe Bieu, de Oude Markt. Daarin vindt men kleine restaurantjes waar nog op traditionele houtskoolvuren wordt gekookt en waar voor een klein bedrag een groot bord vol stoofvlees of gebakken vis gegeten kan met een keuze uit rijst, bonen, aardappelpuree of funchi, een puree van maïsmeel. Na zo’n bord kon uw Archiefkok meestal letterlijk geen pap meer zeggen. Tot ik door een stamgast werd gewezen op het bestaan van de arepa di pampuna, de pompoenpannekoek.

Arepa di pampuna hebben magische krachten. Zodra je het eerste, heerlijke zoete hapje in je mond neemt, maakt je maag namelijk op wonderbaarlijke wijze ruimte om de hele arepa te accommoderen. En misschien wel twee. Ik was dan ook bijzonder gelukkig toen ik het recept ervan in Uit de Curaçaose Keuken aantrof. Zonder hoeveelheden uiteraard dus het onderstaande is gebaseerd op mijn eigen pogingen:

  • 300 gram pompoen in stukjes
  • 300 ml melk
  • 2 eieren
  • 150 gram bloem
  • 100-150 gram suiker naar smaak
  • 150 gram rozijnen
  • Paar fikse snuiven kaneel
  • Boter

Aan de slag

Breng de pompoenstukjes aan de kook met een klein laagje water en laat ze in een kwartier tot twintig minuten gaar koken. Het wordt puree, dus let op dat het aan het eind niet verbrandt. Laat de puree afkoelen.

Klop in een kom twee eieren en voeg daaraan de pompoenpuree en de melk toe en roer goed door. Voeg daarna in kleine beetjes bloem door terwijl u klopt met een garde. Het beslag moet dikker zijn dan gewoon pannekoekenbeslag. Roer dan de suiker, rozijnen en de kaneel erdoor.

Zet een grote koekepan op het vuur en smelt er een klont boter in (niet te zuinig zijn, de boter is belangrijk voor de smaak en bovendien is dit recept door die pompoen hartstikke gezond). De arepa worden gebakken als drie-in-de-pan dus schep met een grote lepel drie kleine beetjes beslag in de pan en zorg dat deze elkaar niet raken. Bak op hoog vuur tot de onderkant een beetje bruin is en draai het vuur dan laag tot de bovenkant is gedroogd. Dan kunt de arepa omdraaien en op hoog vuur nog even bruin laten worden. Herhaal tot het beslag op is.

Aan tafel

Wie dit recept volgt, krijgt masha dushi arepa di pampuna. Daar is geen twijfel over mogelijk. Ze bezitten zelfs diezelfde magische krachten want ik heb er net zeker vijf achter elkaar opgegeten. Maar toch mist er iets. Ze smaken niet zo fantastisch als die van Zus in de Marshe Bieu. Is het de warmte, is het de sfeer, zijn het de geuren van de houtskoolvuren? Deels waarschijnlijk, maar ik vermoed dat de oorzaak er vooral in zit dat deze Archiefkokki nog heel veel moet oefenen en variëren voordat ze zich een Curaçaose kokki mag noemen. Misschien wat meer pompoen, misschien een beetje zout, misschien wat meer of minder suiker? Gelukkig ga ik in het najaar weer terug naar Willemstad voor meer onderzoek.