Eau de chocolat

Waarschuwing: dit blog is gebaseerd op nepnieuws. Lees hiervoor de rectificatie. De rectificatie doet niets af aan de smakelijkheid van het recept.

Onlangs ontdekte uw Archiefkok een fikse omissie in haar oeuvre. Nee, niet de paté van de kalfsvoeten die ik u ooit had beloofd maar waar ik op mysterieuze wijze nooit aan toe ben gekomen, maar iets veel ergers: we hebben het nog nooit gehad over chocolade. Vandaag komt daar verandering in. Maar niet met de verhalen over conquistadores en de chocoladeverslaafde kardinaal die ik voor u had opgedoken. Nee, dat ging allemaal het raam uit toen ik op deze advertentie uit 1667 stuitte:

In deze advertentie wordt het cacaopoeder van de gebroeders Van Houten uit Weesp aangeprezen. Niet vreemd, de meesten van ons kennen dat cacaopoeder wel. Maar wat als ik u vertel dat dat poeder pas werd uitgevonden in 1828? En bovendien pas vanaf 1850 in Weesp werd geproduceerd?

Van Houten Cacao

De cacaofabriek van Van Houten werd in 1815 in Amsterdam opgericht door koffiehandelaar Casparus van Houten. In een pand op de Prinsengracht installeerde hij een tredmolen met twee maalstenen waartussen de geroosterde cacaobonen werden gemalen. Die gemalen bonen werden voornamelijk gebruikt voor warme chocolademelk. Het hoge vetgehalte van chocolade maakten het bijna onmogelijk er iets anders van te maken dat smakelijk was. Tot Casparus een manier vond om het vet uit de bonen te persen en zo de basis voor het cacaopoeder legde.

Eén van de bekendste blikken waarin Van Houten’s cacao werd verkocht

Casparus vroeg patent aan en kon al snel de vraag niet meer aan. Zijn door mensen aangedreven tredmolen in Amsterdam werd verruild voor een heuse cacaomolen in Leiden. Casaparus’ zoon Coenraad verplaatste de productie naar Weesp waar onder zijn leiding een grote chocoladefabriek verrees. Coenraad trouwde met Hermina van Houten, van wie wordt beweerd dat zij geen familie van hem was. Dat is niet waar. Hermina en Coenraad waren volle neef en nicht. Haar vader was Casparus’ broer Bruins (een familienaam, zoals u straks zult zien), die zich als tabakshandelaar in Groningen had gevestigd. De fabriek bleef in de familie tot 1962.

Cacaomolens

De tredmolen van Casparus was niet de eerste cacaomolen in Nederland. Die stond in 1705 in Middelburg, waar veel schepen van de West Indische Compagnie hun waren losten.  Daaronder was ook veel cacao uit de Spaanse koloniën, die daardoor meteen verwerkt kon worden. Cacao werd echter ook al vóór 1705 af en toe ingevoerd en de kans is groot dat deze verwerkt werd in molens die niet officieel als cacaomolen te boek stonden.

In Weesp maalden de meeste molens graan en mout voor de bierindustrie. Het schone water van de Vecht was daar ideaal voor. De vele godsdiensttwisten in het Sticht Utrecht brachten echter grote schade toe aan de economie van het plaatsje en rond 1650 waren er nog maar vijf brouwerijen over. Hebben de onbekende gebroeders Van Houten uit de advertentie toen wellicht hun graanmolen omgebouwd tot cacaomolen?

De familie Van Houten

Helaas voor mij is er in de genealogische bronnen van zeventiende-eeuws Weesp geen Van Houten te bespeuren. Misschien woonden ze er, maar ze trouwden er niet, kregen er geen kinderen en werden er ook niet begraven. De enige Van Houten die ik aantrof, bleek bij controle Van Souten te heten. Foutje bij het overtypen van de moeilijk leesbare registers.

Daarom besloot ik het andersom te proberen en de genealogie van Casparus terug te voeren tot de illustere broers. Casparus’ vader was de Amsterdamse houthandelaar Dirck van Houten. Uit zijn huwelijksakte wordt duidelijk dat zowel hij als zijn vader, Bruns van Houten, uit Olst komen. De doopakte van Dirck heb ik in Olst echter niet gevonden, wel die van twee broers waarin vader wordt aangeduid als Jan Bruns en Jan Bruns van Holten.

Huwelijksakte van Dirck van Houten en Engeltje van der Mark uit 1767

Hoewel ik eerst dacht dat die achternaam aangaf dat hij uit het, dicht bij Olst gelegen, plaatsje Holten kwam (waarmee de hele lijn met Weesp van tafel zou zijn) bleek dat niet het geval. Jan Bruins en zijn vrouw Maria Dirks kregen tussen 1720 en 1740 kinderen in verschillende plaatsen tussen Kampen en Deventer. Waarschijnlijk had hij dus een beroep waarvoor hij de IJssel op en af voer. Zou hij houthandelaar geweest kunnen zijn? Net als zijn zoon Dirck later? Dan heeft zich wellicht gewoon naar zijn nering genoemd.

Bruns blijft niet zijn hele leven bij de IJssel. Maria en hij verhuizen naar Breukelen waar hun dochter Margaretha in 1758 trouwt. Hun zonen vertrekken naar Amsterdam. Drie van hen treden daar in het huwelijk. In de huwelijksakte van zoon Willem worden hij en zijn vader Van Holten genoemd. Jan en Dirck gebruiken de naam Van Houten.

Toeval?

Helaas is het niet gelukt te ontdekken waar onze Bruins van Holten, geboren rond 1700, zelf nou vandaan kwam. Maar als hij op zijn oude dag terug naar huis ging, ligt Breukelen wel erg dicht bij Weesp… De kans is echter groot dat deze familie zich pas Van Holten/Houten ging noemen toen Bruins die naam aannam. Tot die tijd heette hij Jan Bruinszoon en met alleen zijn vaders voornaam is het lastig verder zoeken in een tijd waarvan maar weinig bronnen bewaard zijn.

Wie waren dan die gebroeders Van Houten in Weesp in 1667? Waarschijnlijk dus in elk geval geen familie van de latere cacaofabrikanten. Misschien waren het mannen die met de WIC voeren en zelf cacao meenamen. De compagnie had meerdere mannen met die naam in dienst. Maar de naam kwam in de buurt van Amsterdam destijds veelvuldig voor. Hun cacaopoeder lijkt in elk geval geen succes te zijn geworden. Het blijft bij die ene advertentie en van hen en hun uitvinding wordt niets meer vernomen.

En dan rest ons niets anders dan (met grote tegenzin!) te moeten concluderen dat hier sprake is van een enorm toeval. Zelfde naam, zelfde plaats, zelfde product, maar geen familie…

Recept

Een treurig resultaat vindt u? Ja, misschien wel. Gelukkig is er troost. De aanleiding van deze hele onderneming  was tenslotte een recept met chocolade. En het wordt nog beter: het is een recept voor sterke drank met chocolade.

Dit recept is afkomstig uit het archief van dr. Raupp dat te vinden is bij het BHIC in Den Bosch. Daarin bevindt zich een katern met allemaal recepten voor sterke drank. De basis voor alle recepten is het trekken van smaakmakers in eau de vie (likeur gestookt van vruchten), waarna siroop wordt toegevoegd en de drank opnieuw gestookt wordt.

Hoewel stoken in Nederland illegaal is, is deze manier dat niet. Er is tenslotte netjes btw betaald over de eau de vie. Maar het apparaat dat men voor dat stoken nodig heeft, mag men officieel niet bezitten. Een lastig parket, zoals u begrijpt. Deze keer los ik dat op door de drank niet opnieuw te stoken (spoiler alert: dit levert een prima drankje op) maar hopelijk kan dat later nog eens anders.

Het recept is berekend op een klein leger en daarom heeft uw Archiefkok de hoeveelheden even door vier gedeeld:

  • 1, 4 liter Eau de vie (is erg duur, Kirschwasser kan ook prima)
  • 50 gram cacao nibs
  • 1 vanillestokje
  • 500 gram suiker
  • 750 ml water
  • Weckpot

Cacaonibs zijn dankzij de raw food beweging weer helemaal hip. U kunt ze daarom makkelijk kopen bij de notenzaak of een natuurvoedingswinkel.

Aan de slag

Snij het vanillestokje open en haal met een scherp mesje het merg eruit. Doe dat en de lege peul in een grote schone weckpot. Doe de cacao nibs erbij en giet de Eau de vie erover. Laat dit samen twee weken trekken.

Zeef de Eau de vie en zet apart. Breng in een pan het water en de suiker langzaam aan de kook. Laat een minuutje of tien doorkoken zodat de siroop wat dikker wordt. Doe de siroop bij de Eau de vie en laat samen nog een nacht trekken.

Aan de borrel

Eau de vie heeft van zichzelf een scherpe geur en smaak. Tijdens de eerste week van het trekken vroeg ik me dan ook regelmatig af of dit wel goed zou komen. Maar halverwege week twee begonnen de geuren en smaken van de cacao en de vanille te overheersen. Na het toevoegen van de siroop bleek echter dat de smaak van de cacao het onderspit had gedolven. De likeur smaakte nu vooral zoet met een sterke hint van vanille. Ook de kleur was veel lichter geworden.

Daarom besloot ik de drank opnieuw te laten trekken met cacaonibs. Ik voegde nog 100 gram toe en wachtte nog een week. Dat bleek te kort. Het drankje was nog niet veel donkerder geworden en de jury, die blind proefde, haalde de smaak van cacao er niet meteen uit. Pas als de zoete smaak van de siroop is verdwenen, blijft de vettige, licht bittere smaak van cacao achter op de tong.

Is eau de cacao dan niet lekker? Dat heeft u mij niet horen zeggen. Eerlijk gezegd is het heerlijk. Het perfecte digestief voor de feestdagen. Of, zoals de jury fantaseerde, als ingrediënt van een goed dronken trifle. Volgende keer dat ik het maak, laat ik het alleen wel langer trekken en gebruik ik minder suiker. Of heb ik eindelijk iets bemachtigd om te kunnen destilleren.

Links

Archiefstuk waaruit dit recept afkomstig is

Bij het Nationaal Archief bevindt zich de fotocollectie Van Houten

Tekening van de tredmolen op de Prinsengracht

 

 

Mandareinengelei

Volgens het woordenboek is een traditie een gebruik of een gewoonte die van de ene op de andere generatie wordt doorgegeven. Dat zo’n traditie niet immuun is voor verandering, merken we elk jaar aan de discussies rond Zwarte Piet. Sommige tradities veranderen maar moeizaam. Andere tradities daarentegen, zoals Kerstmis, doorlopen geruisloos een  flinke metamorfose. Vierden we Kerst vroeger alleen in de kerk en met lekker eten, nu versieren we het hele huis en nodigen de Kerstman uit inclusief rendieren en cadeaus.

Een enkele keer worden nieuwe tradities ingevoerd, zoals het van oorsprong Ierse Halloween. Op 31 oktober, de avond voor Allerheiligen,  trekken kinderen verkleed met lampionnen langs de deuren om snoep op te halen. Traditioneel was dit de dag dat de oogst volledig binnen moest zijn. Voor de harde werkers een moment om tot rust te komen en de resultaten van hun werk te delen met de allerarmsten. In de negentiende eeuw namen Ierse immigranten het feest mee naar de Verenigde Staten en twee eeuwen later waaide het over naar het vaste land van Europa.

Sint Maarten

In Nederland concurreert het feest in sommige streken met het vergelijkbare Sint Maarten. Dit feest, dat elf dagen later plaatsvindt, heeft ongeveer dezelfde oorsprong als Halloween. Ook hier gaat het om een oogstfeest, alleen dan gekoppeld aan de sterfdag van Martinus van Tours. Deze bisschop en fervent stichter van kloosters, speelde in de vierde eeuw een belangrijke rol in de verspreiding van het christendom in Europa en stond bekend om zijn vrijgevigheid. Zo zou hij de helft van zijn mantel hebben weggegeven aan een bedelaar die buiten de poort van Amiens stond te klappertanden.

Viering van Sint Maarten in Düsseldorf 
Heinrich Hermanns, 1905

Nadat Martinus op elf november 397 was begraven in de basiliek van Tours, raakte hij niet in de vergetelheid. Er werden kerken in zijn naam gebouwd en keizer Karel de Grote liet in de negende eeuw regelmatig missen aan hem opdragen. In Nederland werd hij de beschermheilige van de stad Groningen, waar de Martinikerk naar hem werd genoemd, en van de stad Utrecht, waar een paar van zijn botjes in de Dom worden bewaard. Daarnaast werd de dag van zijn begrafenis op veel plekken jaarlijks herdacht met een feest.

Tijdens dat feest gingen kinderen zingend langs de huizen met kaarsjes in uitgeholde bieten, koolrapen en wortels om lekkers op te halen. De buit verzamelden ze een zogenaamde scuddecorf. Dit is een rieten mand die aan het eind van de avond boven een vuur werd opgehangen en daarna flink heen en weer werd geschud. Alle aanwezigen moesten vanaf dat moment hun best doen een deel van de buit te bemachtigen (zei iemand daar pinhata?).

Dat vuur liep echter regelmatig uit de hand. Halverwege de vijftiende eeuw hadden jongens in Dordrecht het zo bont gemaakt (ieder stuk hout waar men de hand op kon leggen, inclusief straatmeubilair en vensterbanken waren in de vlammenzee verdwenen) dat de vuren werden verboden. Ook in Utrecht en Kennemerland werden later dergelijke verboden ingevoerd. In de late negentiende eeuw verzuchtte een journalist dat men deze Sint Maartensvuren misschien nog van naam kende maar dat niemand deze terug wenste. Daarvoor ontaardden deze “te dikwerf in onmatigheid en losbandigheid”.

Advertentie van Vroom en Dreesman uit 1959

De viering van Sint Maarten heeft nooit een landelijk karakter gekregen. In sommige streken, zoals de Zaanstreek en Groningen is het feest echter nooit weggeweest. Daar lopen nog steeds kinderen zingend met hun lampion langs de huizen of door de winkelstraat. Uw Archiefkok kwam er voor het eerst mee in aanraking toen zij, op precies de goede leeftijd van acht jaar, in een dorpje onder de rook van Amsterdam kwam te wonen. U kent mij intussen een beetje dus ik hoef u waarschijnlijk niet te vertellen dat ik mijn geluk niet op kon.

Over het algemeen was de buit van zo’n avond heel behoorlijk, al waren er ook altijd van die verantwoorde buren van wie je fruit kreeg. Een goed rondje Sint Maarten leverde dan ook niet alleen een zak met snoep op, maar ook zeker een mandarijn of acht. Voor wie dat eerder deze maand ook overkomen is, dacht ik een recept te hebben om het leed iets te verzachten. Dat blijkt echter niet het geval.

Recept

In het archief van de families Vissering, Wiemann, Cnoop en anderen (die allemaal door huwelijk aan elkaar verwant zijn) trof ik een recept voor mandarijnengelei.

Nu dacht ik altijd dat de gewoonte om van alles en nog wat in gelei te serveren, uit de jaren zeventig dateerde. Dit recept is echter iets ouder. De schrijfster overleed in 1966. De gelei wordt gemaakt met behulp van gelatine, dat gewonnen wordt uit de botten van dieren. Maar dat hoeft u uw gasten natuurlijk niet te vertellen.

Aan de slag

Voor deze gelei heeft u nodig:

  • Vier ongewenste mandarijnen
  • Een liter water of (en da’s aan te bevelen) een halve liter water en een halve liter zoete Duitse wijn
  • Het sap van twee citroenen
  • 250 gram suiker
  • 35 gram gelatine
  • Twee eiwitten
  • Een puddingvorm

Haal de blaadjes gelatine van elkaar en leg ze in een bak met koud water. Laat ze daarin vijf minuten weken. Klop daarna de eiwitten een beetje los.

Zet een pan op laag vuur en verwarm daarin  het water (nog niet de wijn!), de suiker, het citroensap, de eiwitten en de uitgeknepen blaadjes gelatine. Het nut van die eiwitten is uw Archiefkok niet helemaal duidelijk, al hebben deze de bijzondere eigenschap onzuiverheden uit vet te kunnen filteren. Wellicht zijn ze bedoeld om de gelei helder te maken. Dat is echter niet gelukt.

Breng het geheel langzaam aan de kook en schep het schuim van het eiwit van de vloeibare gelei af. Pel ondertussen de mandarijnen en verwijder zoveel mogelijk van de witte draadjes.

Voeg de wijn toe aan de gelei en zorg dat het niet meer kookt (anders vervliegt de alcohol).

Schep met een flinke lepel een deel van de gelei in de puddingvorm en laat deze zo snel mogelijk opstijven. Dat kan in de koelkast of eerst in een bak met koud water en ijsklontjes. Zodra de gelei is gestold, legt u er een laagje mandarijnen op en giet u er een nieuwe laag gelei op. Dat proces herhaalt u tot de vorm vol is. Dat kan wat meer tijd in beslag nemen dan u had verwacht. In de koelkast kunt u de gelei wel een paar dagen bewaren .

Aan tafel

Omdat ik de eerste keer de aanwijzingen op de verpakking van de gelatine niet had gelezen, werd mijn eerste gelei niet stijf. De tweede poging leverde geen problemen meer op, maar was (tot opluchting van mijn gast) veel te laat klaar om nog als toetje te kunnen eten. Vanaf dat moment stond hij me in de koelkast aan te staren. Eerlijk gezegd, had ik er zelf ook niet veel trek in.

Op maandag besloot ik echter dat het zo niet langer kon en zette de vorm in een bak warm water zodat deze los kon komen. Iets te lang bleek achteraf, want de zijkanten werden volledig vloeibaar en van de mooie puddingvorm was niets meer te zien. Erg jammer want van die vorm bleek ik het te moeten hebben. Het werd me namelijk na één hap al duidelijk waarom wij tegenwoordig niets meer in gelei eten.

De gelei zelf was troebel geel, voelde een beetje gek in de mond maar smaakte in de verte gelukkig wel een beetje naar wijn. De mandarijnen waren echter vreselijk taai. Het ontvellen van mandarijnen is monnikenwerk maar was hier waarschijnlijk de moeite waard geweest. Misschien was de ratio mandarijn-gelei dan ook iets beter geweest want nu was de gelei met stip in de meerderheid. Maar laat ik maar eerlijk zijn, ook dan was de hele bak waarschijnlijk in de vuilnisbak belandt. Gelukkig is er nog Sint Maarten snoep.

Links

Archiefstuk waaruit dit recept afkomstig is

Wiki over Martinus van Tours

Zachte nouga van Balthasar

Zachte noga was tot ver in de negentiende eeuw zeldzaam in Nederland. Alleen de beste chocolatiers importeerden het uit Franse steden als Marseille of Montélimar, nog altijd bekend als dé noga-hoofdstad. Zelf maken konden ze het echter niet. Dat vereiste een vaardigheid die de Nederlandse bakkers niet machtig waren. Ook voor uw Archiefkok bleek het bepaald geen sinecure. Maar daarover later meer.

Ook in Nederlands-Indië werd noga gegeten: 
advertentie uit de Java-bode van 1861

Over de herkomst van noga, een lekkernij op basis van geroosterde noten, honing en eiwit, wordt druk gesteggeld. In Europa vechten de Italianen en de Fransen om de oudste rechten. De Italianen kunnen daarbij een beroep doen op het kookboek De Re Coquinaria uit de vierde eeuw. De recepten in dat boek gaan terug tot de Romeinse lekkerbek Apicius, die rond het begin van onze jaartelling leefde. Naast aanwijzingen voor het bereiden voor gevulde varkensbaarmoeder, saus voor bij flamingo en kip met duivelsdrek, is daarin ook een recept te vinden voor een zoet gebakje van honing, eieren en walnoot. De eerste noga?

Niet helemaal. Waarschijnlijk maakten de Romeinen kennis met de noga via de handel met het nabije oosten. Of zelfs het wat verdere oosten. Tussen de recepten van Apicius bevindt zich ook een recept voor erwten op Indische wijze. Door de vele handelsbetrekkingen kwamen de smaken van alle windstreken naar Rome. Het meest voor de hand ligt echter dat de noga afkomstig is van de Arabieren. Zij cultiveerden als eerste allerlei verschillende noten zoals  amandelen en walnoten. Bovendien bakten ze graag en veel met honing.

In een Arabisch kookboek uit de tiende eeuw, Kitab al-Tabikh of Boek van Gerechten, zijn meerdere recepten voor noga te vinden. De schrijver van het boek, Ibn Sayyar al-Warraq, legt de oorsprong ervan in Harran, een plaatsje op de grens tussen het huidige Syrië en Turkije. Van de naam noga was geen sprake. De zoetigheid werd natif genoemd, wat letterlijk zoiets betekent als gedruppeld. Die betekenis had uw Archiefkok graag geweten voordat ze zelf noga ging maken, dat had wat ellende gescheeld.

Twee pagina's uit een manuscript van de Kitab al-tabikh 
Bron: De Nationale Bibliotheek van Finland

De natif vond zijn weg naar het Romeinse rijk maar de naam hield geen stand. De Romeinen noemden het panis nucatus, oftewel notenbrood. Dit werd in de westelijke uiteinden van het Romeinse Rijk verbasterd tot pan nogat dat weer nogat/nougat werd. Die naam bleef uiteindelijk alleen in Frankrijk hangen en kwam zo ook in Nederland terecht. In Spanje en Italië wordt de noga turron en torrone genoemd. Die namen zouden zijn afgeleid van het Latijnse torrere dat roosteren betekent.

Recept

Het liefst zou ik nu nog even doorgaan met al deze etymologie. Het moment is echter aangebroken dat ik u een bijzonder plakkerig en nogal onsuccesvol avontuur moet gaan vertellen. Hoewel… Misschien kunnen we nog één afslagje maken.

In de collectie van uw Archiefkok bevinden zich een stuk of tien recepten voor noga. Dol als ik er op ben, was het zelfs één van de allereerste recepten die ik ruim drie jaar geleden uitprobeerde. Waarom dat nog niet eerder een blog opleverde? Omdat de noga’s van Catharina Schimmelpennick, Hildegonda van Randwijck, Paulina Deutz van Assendelft en al die anderen niet de noga is die wij vandaag de dag kennen.

Tot in de twintigste eeuw maakte men in Nederland zogenaamde bruine noga, die we vandaag eerder nougatine zou noemen. Deze wordt gemaakt van niets anders dan suiker en amandelen en misschien een beetje boter. Dit tandenbrekend harde snoepgoed lijkt de enige noga te zijn geweest die men in Nederland kon maken. Zachte noga wordt gemaakt met eiwit en dat hadden de thuisbakkers blijkbaar niet onder de knie. Pas rond 1900 adverteren de eerste professionele bakkers met zelfgemaakte zachte nougat.

De Haarlemse kok en banketbakker Balthasar Reeser was er zo eentje. Hij werkte van 1870 tot 1926 aan de Koningsstraat in Haarlem en deed daar goede zaken. Zijn succesvolle recepten kwamen later terecht bij het Noord Hollands Archief. Het grote nadeel van dat boekje is dat er vaak weinig meer in staat dan ingrediënten. De minimale aanwijzingen die hij geeft voor deze nouga zijn een uitzondering. Honing gebruikte Balthasar niet. Alleen glucosestroop. Omdat hij in grote hoeveelheden bakte, deelde ik zijn recept eerst door twee.

  • 250 gram suiker
  • 375 gram blanke (=glucose) stroop
  • Beetje water
  • 3 eiwitten
  • 150 gram amandelen
  • Ouwel/eetbaar papier
  • Pan met dikke bodem
  • Suikerthermometer

Aan de slag

Links de zelfgemaakte glucosestroop

Voordat u noga gaat maken, heb ik eigenlijk maar één echte tip: doe het niet. Koop noga. Het is lekkerder, het scheelt u uren werk (die vooral in de schoonmaak gaan zitten) en het voorkomt teleurstellingen. Scroll hiervoor naar onderen en klik op de laatste link. Al staat het u uiteraard vrij om verder te lezen.

Omdat ik niet wist dat glucosestroop redelijk makkelijk te krijgen is bij de betere kookwinkel, maakte ik het eerst zelf door druivensuiker met water in te koken tot stroopdikte. Niet zo’n goed plan. Niet alleen kostte het veel tijd maar aan het eind was het ook nog eens geel in plaats van doorzichtig en nog lang niet dik genoeg. Alleen wist ik dat niet. De noga die ik ermee maakte, smaakte lekker  maar was na twee dagen drogen nog altijd bijna vloeibaar.

Voor poging twee gebruikte ik dan ook glucosestroop van meesterbakker Holtkamp. Dat is een superkleverig goedje dat, als u niet oppast, plots op alle keukendeurtjes blijkt te kleven, in uw haar zit en er bovendien de oorzaak van kan zijn dat uw schoenen steeds blijven kleven. Al kon dat, eerlijk is eerlijk, ook komen doordat ik al even niet gedweild had.

De glucosestroop en de suiker deed ik samen met wat water (afwezig in elk ander nogarecept ter wereld) in de pan en dat liet ik samen smelten. In het recept staat dat men dit moet koken tot unevillen of unevellen? Bedoelde hij soms ulevellen? Uw Archiefkok kwam er niet uit. Maar wat er ook staat is, zeker is dat Balthasar kookte in een tijd dat er geen suikerthermometer bestond. Hij moest aan de kleur en dikte van de suiker aflezen wanneer deze de juiste temperatuur had. Het onleesbare woord zal die staat beschrijven. Tegenwoordig weten we dat die perfecte temperatuur 140 graden is en kunnen we gelukkig een suikerthermometer gebruiken.

Terwijl de suiker opwarmde (duurde ongeveer een half uur) vette ik een vierkante bakvorm in met een beetje olie en bekleedde deze met bakpapier alvorens ik er de velletjes ouwel inlegde. Daarna klopte ik de eiwitten stijf met de mixer. Ook roosterde ik de amandelen kort in de oven. Dat staat niet in Balthasars recept maar na poging één had ik me al wel wat ingelezen. Geroosterde amandelen zijn lekkerder en door de warmte makkelijker door de nouga te roeren. Zo komen de Spanjaarden en Italianen dus aan turron en torrone.

En dan komen we aan bij het punt waarop ik van Balthasar de suiker door de eiwitten moest roeren met een spatel. Dat was het moment dat de betekenis van natif van pas was gekomen. Want ik goot de hete suiker weliswaar niet in één keer door het eiwit, maar ook niet echt druppelsgewijs. Bovendien vertelt Balthasar niet dat met die spatel net zo lang geroerd moet worden tot de eiwitten hard worden. Ik roerde slechts tot de suiker in hete eiwit was opgenomen en mijn glanzende eiwit nog altijd heel zacht en plakkerig was. Daarna roerde ik de amandelen erdoor en  spatelde alles in de vorm. Dit alles ging overigens niet zo gemakkelijk als het hier staat. De keuken en ikzelf plakten opnieuw van onder tot boven.

Daarna liet ik de noga afkoelen, schrobde mezelf grondig af en ging de deur uit voor een leuk weekend. Verzekerd van de wetenschap dat ik mijn collega’s maandag heerlijke noga kon voorzetten. Dat liep helaas anders.

Aan tafel

           

Als u bovenstaande foto’s ziet, vraagt u waarschijnlijk waarom ik zo loop te zeuren over een mislukking. Die noga ziet er toch geweldig uit? Eens! Maar dat komt doordat ik vals heb gespeeld. Net als poging één wilde deze noga niet hard worden. Het lag dus niet alleen aan mijn glucosestroop, maar vooral aan het niet lang genoeg spatelen. De noga was weliswaar niet vloeibaar maar veel te zacht om te kunnen snijden.

Omdat de moed voor een derde poging mij ontbrak en ik toch een foto nodig had, heb ik de hele schaal twee uurtjes in de vriezer gezet. Daarna had ik precies tien minuten om de noga te snijden en te fotograferen, voordat het begon te smelten. Mijn collega’s hebben dus nooit noga gezien en alles belandde in de vuilnisbak. Nou ja, alles… Noga blijk je ook prima te kunnen eten met een lepel.

Links

Archiefstuk waaruit dit recept afkomstig is
Nederlandse vertaling van de recepten van Apicius
Noga kopen

Rödgröd

Nu ik als uw Archiefkok al een aantal jaar in de keuken sta, kom ik nog maar zelden ‘nieuwe’ recepten tegen. De boboto was een mooie vondst, net als de valse kaviaar, maar de meeste kookboekjes staan vol met ongeveer dezelfde recepten. Als u ooit wat fruit wilt konfijten, kan ik u voorzien van honderden recepten om uit te kiezen. Maar soms wordt ook uw Archiefkok nog verrast.

Dat gebeurde onlangs in de Groninger Archieven. Daar vond ik niet één, maar wel vier recepten voor het mij onbekende rödgröd, een Deens toetje van rood fruit. Eerst dacht ik nog dat alle schrijvers wellicht familie van elkaar waren en het recept aan elkaar hadden doorgegeven, maar dat bleek niet het geval. Alle vier de recepten zijn totaal verschillend. Het enige dat ze gemeen hebben, is dat ze allemaal rond 1935 zijn opgeschreven. Was er destijds een rödgröd-hype in Groningen?

Wanneer er meerdere recepten zijn, moet uw Archiefkok altijd een keuze maken: welk recept lijkt makkelijk, voor welke ingrediënten moet ik stad en land afzoeken en welk recept levert het beste verhaal op voor u? De keuze viel op het recept van Titia Vissering, van wie ik tot op dat moment nog niets wist. Na het uitzoeken van haar geschiedenis bleef ik een beetje treurig achter. Een treffender voorbeeld van dat geld niet gelukkig maakt, heb ik zelden gevonden.

Titia Vissering

De geschiedenis  van de Visserings in Groningen begint als de Alkmaarse dominee Jacobus David Vissering daar rond 1809 een aanstelling krijgt. Hij neemt zijn vrouw en kinderen mee en het gaat het gezin voor de wind. Vooral oudste zoon Jacobus David doet als handelaar in koffie, thee en tabak aan de Grote Markt goede zaken. Hij investeert zijn geld in landerijen rondom de stad Groningen en kan al jong gaan rentenieren in zijn huis Welgelegen in Glimmen.

Op zijn veertigste trouwt deze Jacobus met Titia ten Cate, de 37-jarige dochter  van de apotheker aan de Poelestraat. Zij krijgen drie zonen, waarvan er twee de volwassenheid bereiken. De oudste zoon, verrassend genoeg Jacobus David geheten, overlijdt in 1888 ongehuwd in Amsterdam. Zijn jongere broer Jan Jacob erft de landerijen en vestigt zich als landeigenaar met zijn vrouw Lutgerdina in het ouderlijk huis.

Op Welgelegen wordt  dochter Titia geboren, de enige erfgenaam van het hele fortuin van haar grootvader. De toekomst lijkt er zonnig uit te zien, maar schijn bedriegt. Haar echtgenoot Willem Wiemann, een advocaat met Duitse wortels, is vaak ziek en het enige kind dat uit hun huwelijk wordt geboren, is verstandelijk gehandicapt. In 1936 erven ze Welgelegen en nemen er hun intrek.

NSVO

Het gezin onderhoudt warme banden met de familie in Duitsland en Willem sympathiseert met de NSB. Een paar maanden na het uitbreken van de oorlog betaalt dat zich uit in zijn benoeming tot griffier van de rechtbank. Titia wordt tijdens de oorlog lid van de NVSO, een aan de NSB gelieerde vrouwenvereniging. Beiden moeten zich na de oorlog verantwoorden voor hun keuzes. Tijdens de verhoren verandert Titia steeds haar verhaal. De ene keer belandde ze per ongeluk bij de NVSO dat zij als onschuldig naaiclubje zag, de andere keer geeft zij haar sympathieën voor nazi-Duitsland toe, al was zij het niet altijd eens met de partij.

Hun straffen zijn niet mild. Willem wordt zonder pensioen uit zijn functie ontheven, beiden wordt het kiesrecht ontnomen en Titia moet een deel van haar vermogen afstaan. Dit ter compensatie van de door Nederland geleden schade. Pas later ontdekt ze dat de opgelegde 40.000 gulden, een tiende van haar vermogen,  naar verhouding een zeer zware straf is voor lidmaatschap van de NVSO. De brieven waarmee haar advocaat een deel probeert terug te krijgen, blijven echter onbeantwoord.

De behandeling die hen na de oorlog ten deel valt, doet het echtpaar besluiten zich terug te trekken uit de maatschappij. Ze zeggen zelfs hun lidmaatschap van de kerk op. Willem overlijdt kort daarna in 1947 en Titia in 1966. Het huis Welgelegen heeft zij dan al verkocht.  Zoon Jan komt terecht in een gezinsvervangend tehuis waar hij in 1993 overlijdt. De verzamelde familiepapieren komen in 1972, mogelijk door toedoen van een verre verwant, bij de Groninger Archieven terecht.

Recept

Zoals al gezegd is Rödgröd, of eigenlijk Rødgrød, een Deens nagerecht met rood fruit. In Duitsland staat het ook wel bekend als Rote Grütze. Letterlijk betekent het: rode grutten. De granen worden rood van het bessensap. De versie van Titia is een soort griesmeelpudding waarin de melk vervangen is door bessensap. Ideaal voor de veganisten of lactose-intoleranten onder u. Er bestaan ook varianten met sago en met aardappelmeel.

  • Sap van aalbessen: 750 ml
  • Water: 200 ml
  • Griesmeel: 125 gram
  • Fijn gehakte amandelen: 75 gram
  • Suiker: 250 gram
  • Kaneelstokje of citroenschil
  • Puddingvorm

Aan de slag

Bessensap kunt u maken of kopen. Zelf maken is simpel: bessen afritsen, afspoelen en dan met de drupjes water er nog aan in de pan doen. Even laten koken en dan het sap zeven door een schone theedoek. Hou er wel rekening mee dat u voor 750 ml een paar kilo bessen nodig heeft. Mocht u dus geen struik in de tuin hebben, kunt u het sap beter kopen.

Doe het sap met het water en de kaneel of de citroenschil in een pan en breng aan de kook. Voeg de griesmeel en de suiker toe en laat tien tot vijftien minuten koken. Blijf roeren, door de pectine in het bessensap wordt de warme rödgröd  al snel dik en dat bakt makkelijk aan.

Voeg op het laatst de amandelen toe en giet de pudding in de vorm. Deze moet geheel zijn afgekoeld en het liefst nog even in de koelkast hebben gestaan, voordat u  de pudding uit de vorm haalt. Volgens Titia wordt rödgröd vaak gegeten met vanillesaus maar met een paar gesuikerde besjes kunt u deze pudding ook prima serveren.

Aan tafel

Wie online naar plaatjes zoekt van rödgröd komt op de mooist vormgegeven receptenpagina’s terecht met ontzettend fotogenieke rode bessen en witte room. Zo ziet deze pudding er niet uit. Omdat we alleen bessensap en geen hele vruchten hebben gebruikt, is er geen bes meer in te herkennen. Door het gebruik van griesmeel is de kleur nogal dof en de stukjes amandelen doen ook weinig voor het uiterlijk. Maar gelukkig mankeert er niets aan de smaak. Rödgröd is zoet, een beetje zuur en heerlijk zacht. Een prima manier om van overvolle bessenstruiken eens wat anders te maken dan jam.

Links

Archiefstuk waaruit dit recept afkomstig is

Huis Welgelegen

Wiki NSVO

Yoghurtsoep

We gave you hummus, have some respect” schreef een jonge moslima in februari op een groot bord. Ze protesteerde daarmee tegen de zogenaamde travel ban die de Verenigde Staten net hadden afgekondigd, een inreisverbod voor inwoners van overwegend islamitische landen. Grappig natuurlijk, maar met een flinke kern van waarheid. Want hoe zouden onze borden eruit zien als we nooit hadden mogen proeven van die van anderen?

Als uw Archiefkok door Nederlandse kook- en huishoudboekjes van rond 1900 bladert, wordt het haar soms droef te moede. De meeste recepten zijn erop gericht zo economisch mogelijk met voedsel om te gaan: zo veel mogelijk voedingswaarde voor zo weinig mogelijk geld. Ook de huishoudscholen die in deze periode opkwamen, hadden dat als missie. Smaak was ondergeschikt. Een goede huisvrouw draaide iedere dubbeltje twee keer om en kookte elke avond aardappelen met kool of bieten en wat spek erbij.

Nederlanders die een tijdje in Indië doorbrachten, leerden dat het ook anders kon. De kruidige lokale keuken moet voor velen een aaneenschakeling van prettige verrassingen zijn geweest. Geen wonder dat zij die het konden betalen, bij terugkeer hun ‘kokki’ meenamen.

Wie ná 1948 gedwongen naar Nederland terugkeerde, had het veel minder breed. Zij moesten dus, misschien wel voor het eerst, zelf aan de slag in de keuken. Het Voorlichtingsbureau voor de Voeding hielp hen daarbij met een speciale brochure vol recepten. Daarmee konden de terugkeerders niet alleen wennen aan het koken, maar ook meteen aan de Hollandse kost. De eerste recepten zijn nog Indisch, voor lekker kruidige groentegerechten. Maar dan gaat het al snel naar aardappelen, stamppot en rode kool met appeltjes.

Toen de eerste gastarbeiders in de jaren vijftig uit Italië, Spanje en Portugal arriveerden, werd ook hen de Hollandse pot voorgezet. Het waren bijna altijd ongehuwde mannen, die een contract van maximaal twee jaar kregen. Het was immers niet de bedoeling dat hele gezinnen zouden overkomen en zouden blijven. De meesten van hen woonden in pensions met kost en inwoning en kregen daar van de pensionhoudster een overdosis aardappels en brood met kaas.

De Italiaanse gastarbeiders van Hoogovens, die gevestigd waren op een groot woonschip, waren er in 1961 helemaal klaar mee. Er brak een heus spaghettioproer uit waarbij het werk werd neergelegd. Achttien van de stakers verloren daarbij hun baan en moesten terug naar huis. Uiteindelijk werd het doel wel bereikt. Er werden Italiaanse koks aangesteld en voortaan kreeg men twee warme maaltijden per dag.

In 1964 sloot de Nederlandse regering een wervingsdeal met Turkije. De Nederlandse industrie had veel mensen nodig terwijl Turkije kampte met hoge werkeloosheid. Opnieuw waren jonge en ongehuwde mannen het meest in trek en Nederlandse pensions deden goede zaken. Maar wat zouden die Turkse mannen willen eten? Vastbesloten een nieuw spaghettioproer te voorkomen, bood het Voorlichtingsbureau voor de Voeding raad. Zij brachten de prachtige brochure “Wat zetten wij onze Turkse gasten voor?” uit. Met op de voorkant een berglandschap met minaret en schattig geitje en binnenin een aantal echt Turkse recepten.

Tussen die recepten bevindt zich onder andere een recept voor pilav, een recept dat sinds de jaren negentig bij uw Archiefkok thuis veel op tafel kwam. Uit de brochure leer ik dat pilav eigenlijk alleen rijst is die op een speciale manier wordt klaargemaakt (wassen, bakken, koken en dan nog stomen). Er blijkt geen sprake te zijn van de bij ons thuis zo onmisbare perziken uit blik of van een flinke lik pindakaas door de saus. Het meest geïntrigeerd raak ik door één van de eerste recepten: Yayla Corbasi, yoghurtsoep.

Recept

Zodra ik mensen vertel dat ik een recept heb gevonden voor yoghurtsoep, is de reactie overal hetzelfde: meewarige blikken en de vraag: “Soep, als in warm?” Ja, soep als in warm. Een rondje bladeren door Turks-Nederlandse foodblogs laat zien dat het Voorlichtingsbureau wist waar het over sprak. Yayla corbasi staat bij menig Turks gezin nog altijd regelmatig op tafel en hun recepten wijken nauwelijks af van dit exemplaar.

Yayla, het Turkse woord voor yoghurt, blijkt eigenlijk bergweide te betekenen. Het is een idyllische plek waar de koeien worden geweid en waar van oudsher dus die heerlijke Turkse yoghurt wordt gemaakt. Wie er plaatjes bij zoekt, komt in een zonnig Milka-landschap terecht. Die Turkse bergyoghurt is heel anders en vooral veel dikker dan de Nederlandse. Gebruik voor dit recept dan ook Turkse yoghurt.  Omdat u waarschijnlijk geen pension vol hongerige gastarbeiders hoeft te voeden, delen we de hoeveelheden wel door twee.

  • Water: 1250 ml
  • Bouillontabletten (kip): 1,5
  • Rijst: 75 gram
  • Eieren: 1
  • Bloem: 40 gram
  • Yoghurt: 2 dl
  • Boter: 3 eetlepels
  • Verse of gedroogde munt

Aan de slag

Breng het water met de bouillontabletten aan de kook. Was de rijst en voeg deze toe zodra het water kookt. Kook tot de rijst gaar is (zie daarvoor de verpakking).

Klop in een kom het ei los en roer er de yoghurt en de bloem doorheen met een klein beetje koud water. Waarom dat laatste nodig is, is onduidelijk, maar mijn soep is goed gelukt en waarom zou ik u een andere kant op sturen?

Giet, zodra de rijst lang genoeg heeft gekookt, al roerend een paar lepels bouillon door het eimengsel. Daarna roert u het eimengsel langzaam door de bouillon. Breng op laag vuur aan de kook. De soep zal daardoor binden. Zodra het kookt, mag het vuur uit. Voeg naar smaak nog wat zout toe.

Verhit de boter in een koekepan en bak daarin de munt knapperig. Serveer de soep en schep over ieder bordje of kom wat munt en gesmolten boter.

Aan tafel

De jury van de ‘Turkse avond’ bij de Archiefkok, was prettig verrast. Vooral het jurylid uit Brazilië, dat geen goed woord over heeft voor hoe Nederlanders hun rijst koken, was onder de indruk van de pilav.  Al was dat vast ook omdat ik er uit sentimentele overwegingen een bakje perziken bij gezet had.

De ster van de show was echter de yoghurtsoep. Hoewel yayla corbasi van zichzelf niet erg sterk smaakt, is de structuur geweldig en de rijst erin heerlijk. Door het bakken wordt de munt knapperig en de gesmolten boter maakt de soep nog wat zachter. De kommetjes gingen dus helemaal leeg, Om de soep zelf meer smaak te geven, voegen sommige mensen er gedroogde chilipeper aan toe. Dat ga ik binnenkort ook eens proberen, want deze soep ga ik zeker vaker eten.

Links

Archiefstuk waaruit dit recept afkomstig is

De regiocanon over gastarbeiders van Hoogovens

Wiki over het Nederlandse gastarbeiderprogramma

 

Drabbelkoeken

Oude huizen zijn vaak prachtig. Ze hebben charme, ademen de sfeer van vorige bewoners en kunnen onverwachte schatten bergen achter in de jaren zeventig en tachtig afgetimmerde wandjes en plafonds. Achter diezelfde betimmering kan zich echter ook allerlei horreur schuilhouden waarvan de, door verliefdheid verblinde, huizenkoper het bestaan niet kon vermoeden.

Zo blijken bij uw Archiefkok thuis de stroomleidingen aangelegd door de vloer van de bovenburen. Geen enkel probleem toen deze huizen nog verhuurd werden door de woningbouwvereniging en iedereen zijn meubilair op de kale houten planken zette. Wel lastig als er iets kapot gaat in tijden van laminaatvloeren en inbouwkasten. En nog eens extra als dat gebeurt terwijl de veelbelovende frambozencitroencake in de oven nog lang niet gaar is.

Met hoe het euvel van mijn persoonlijke stroomvoorziening moet worden opgelost, zal ik u verder niet vermoeien. U bent hier tenslotte voor de recepten en niet voor huishoudelijk geklaag mijnerzijds. Voor de cake kwamen wel wat goede suggesties binnen via Twitter. In plakken snijden en opbakken in roomboter was een uitermate goede tip (die ik, ellendig als ik me voelde, ook meteen in daden heb omgezet) maar ook kwam de suggestie voorbij van de wonderpan.

De wonderpan maakt het mogelijk taart en cake te bakken op het fornuis. Het vernuftige design zorgt ervoor dat de warmte van het gas zich ook verspreidt over de deksel, waardoor de taart ook van boven bakt. Deze pan werd in de jaren vijftig van de vorige eeuw als nieuw en revolutionair aangeprezen, maar bestaat in werkelijkheid al eeuwen. Ook in de tijd dat mensen thuis geen oven hadden, bakten ze namelijk al taart. Deze methode, in kookboeken omschreven als ‘met onder en boven vuur’ vereiste een pan met een holle deksel waarin men warme kooltjes kon doen.

De wonderpan is nog altijd populair, zij het onder een wat ander publiek. Mensen die zich voorbereiden op het einde van de wereld en van plan zijn dat probleem glorieus te overwinnen (de zogenaamde preppers) hebben er allemaal eentje in huis. Ondanks dat uw Archiefkok het voorlopig even zonder haar oven moet stellen, stel ik de aanschaf van een wonderpan toch nog even uit. Ik heb namelijk een andere oplossing gevonden: koekjes waarvoor u helemaal geen oven nodig heeft.

Recept

Ik was nog maar een pas beginnende Archiefkok toen ik in het archief van Petronella Heijligers, de oma van premier Cort van der Linden, een recept voor drabbelkoeken vond. Het beslag leek op dat van pannekoeken maar dan met kaneel en rozenwater toegevoegd. Om de koeken te bakken, moest men het beslag door een trechter in kokende reuzel gieten. Iets te ambitieus in een periode dat ik stiekem nog gruwde van alleen al het idee van reuzel.

Nadat ik ook in het Zeeuws en in het Gelders archief een recept voor deze koeken had gevonden (volgens welke je de koeken ook in boter mocht bakken), besloot ik er eens wat dieper in te duiken. Veel informatie is er echter niet. De drabbelkoek lijkt een specialiteit te zijn uit Sneek en wordt zo genoemd omdat het deeg met een trechter in het hete vet wordt ‘gedrabbeld’. Dat betekent dat je de trechter moet bewegen terwijl het deeg eruit loopt, zodat de koek zich opbouwt uit verschillende dunne strengetjes deeg. Ze zouden in Sneek al sinds 1700 worden gebakken  en de Sneeker boterdrabbelkoekenfabriek De Friese Sjees mag zich zelfs al sinds 1880 hofleverancier noemen.

Met die wetenschap gingen de recepten uit Den Haag, Middelburg en Arnhem meteen het raam uit en toog uw Archiefkok naar Tresoar in Leeuwarden. Zoals verwacht, dook ik daar maar liefst zes recepten voor deze koeken op en in dezelfde provincie wist ik ook nog een traditionele drabbelkoekentrechter op de kop te tikken. Niets kon mij nog tegenhouden.

    

Aan de slag (1)

Het eerste recept dat ik probeerde, was afkomstig uit een achttiende eeuws kookboek uit het archief van Eysinga-Vegilin van Claerbergen en werd simpelweg gemaakt met wat meel, vier eieren, een lepel suiker en wat melk. Dat recept is anders dan alle andere die ook boekweitmeel voorschrijven, maar dat had ik even niet in huis. Bovendien ging er maar één lepel suiker in. Had ik hier een gezonde versie van de drabbelkoek te pakken?

Wat ik te pakken had, bleek echter een tot mislukken gedoemde versie. Met zo weinig suiker, kan de koek nooit hard worden. Bovendien had ik iets te veel melk toegevoegd, waardoor het beslag te dun was geworden. Na twee uur boven een pan dampende boter gehangen te hebben, had ik niks anders dan een paar supervette appelflappen zonder appel. Wat mij overigens niet belette om ze met een flinke snuif poedersuiker volledig soldaat te maken.

Aan de slag (2)

In het archief van Koopmans, dat zich bij Tresoar bevindt, zijn drie recepten voor drabbelkoek bewaard gebleven. De oudste versie uit 1958 schrijft voor dat je de koeken in reuzel en kalfsvet bakt. Van latere versies mag dat ook in boter of slaolie. De ingrediënten en hoeveelheden bleven door de jaren echter hetzelfde en dat moet toch iets zeggen over de kwaliteit van dit recept.

  • Tarwebloem: 150 gram
  • Boekweitmeel: 100 gram
  • Suiker: 200 gram
  • Ei: 1
  • Kaneel: drie theelepels
  • Melk: 3 deciliter
  • Beetje zout
  • Olie om in te bakken
  • Kleine steelpan
  • Een regenachtige dag en uw favoriete Netflixserie op de laptop of tablet

Meng de bloem en het boekweitmeel in een kom, breek het ei erboven en voeg de suiker, kaneel en het zout toe. Maak met de melk een mooi en glad beslag.

Verhit een halve liter slaolie in de pan tot deze begint te dampen. Draai het vuur laag en giet steeds een klein beetje beslag in de trechter. Draai deze in kleine rondjes boven de olie zodat de koek zich uit verschillende sliertjes opbouwt. Bak de koek aan twee kanten en neem deze met een schuimspaan uit de olie. Ze zijn nu nog heel zacht. Laat even uitlekken boven de pan en daarna afkoelen op een omgekeerd kommetje. Zo krijgen ze de traditionele, iets bolle vorm.

Terwijl u aan het bakken bent, zult u merken dat uw koeken steeds mooier worden. U krijgt het drabbelen onder de knie, net als het regelen van de temperatuur. Dat mag ook wel, want aan het eind van uw beslag bent u al gauw een uur of drie verder. Een extra pannetje op het vuur kan uitkomst bieden.

Aan tafel

Is het dan tenminste de moeite waard? Ja! Drabbelkoeken zijn knapperig, luchtig en smaken lekker naar frituur. Wie in boter bakt – dat vergt wel nog meer kennis van temperatuurregulatie en een goede drabbelpols – zal een heerlijke vette botersmaak krijgen. Dan zal de koek ook lekker zijn voor dat enkele lid van de jury dat niet van oliebollen bleek te houden en dus ook niet van drabbelkoek. Voor de rest van ons: heerlijk bij een kopje thee op een regenachtige dag. Mocht u dit aan gasten voor zetten, denk dan aan een schoteltje. Ook tijdens het eten blijft het namelijk drabbelen.

Links

Archiefstuk waaruit dit recept afkomstig is

Bij Haga in Sneek hebben ze een deel van het proces intussen geautomatiseerd

 

Boboto

In 1652, vijftig jaar na de oprichting van de Verenigde Oostindische Compagnie, vestigde de Nederlandse koopman en chirurgijn Jan van Riebeeck zich op Kaap de Goede Hoop. Vlakbij het fort van Kaap de Goede Hoop, dat in 1647 door schipbreukelingen van het schip Nieuw Haarlem was gebouwd, nam hij met negentig andere kolonisten een flink stuk land in. Ze verbouwden er groente en fruit en hielden vee om daarmee de VOC-schepen op hun reizen van vers voedsel te voorzien.

In navolging van Jan van Riebeeck trokken meer boeren uit Europa naar het vruchtbare land. Velen kwamen uit de Republiek, maar ook uit Duitsland en Frankrijk kwamen kolonisten. Zo introduceerden uit Frankrijk gevluchte Hugenoten met veel succes de wijnstok in de streek. Om het tekort aan arbeidskrachten op te lossen, werd al snel gebruik gemaakt van slavenarbeid. Eerst door mannen en vrouwen die van de Afrikaanse Westkust waren geroofd of gekocht, later steeds vaker door mensen die meegenomen waren uit het Verre Oosten.

Volgens een inwoner van Durban, die in 1924 als particulier correspondent voor de Nieuwe Rotterdamsche Courant schreef, werd door de invoer van Maleische slaven een geheel vreemde cultuur in Zuid-Afrika gebracht. Daarmee doelde hij niet alleen op de Oosterse beschaving en de Islam, maar vooral op de Oosterse mystiek. De ‘goochelaars, toovenaars en slangenbezweerders’ maakten zo veel indruk dat een deel van de boerenbevolking volgens hem bij ziekte nog steeds liever een Maleier dan een Europese arts aan het bed had.

De grootschalige immigratie uit het oosten had ook invloed op de taal en de cultuur van de kolonisten. Omdat veel Nederlanders Indische kokkies hadden, was dat vooral in de keuken goed te merken. De kerries deden hun intrede, net als de sambal en de atjar. Soms vermengden de beiden keukens zich zoals bij het gerecht bobotie dat wij nu kennen als het toonbeeld van de Zuid-Afrikaanse keuken. Aan deze schotel met gehakt als hoofdingrediënt werden Indische kruiden en specerijen toegevoegd maar ook Hollandse melk en eieren.

Bobotie heeft dus ook Nederlandse wortels. Hoe kan het dan dat u en ik er pas in de jaren negentig kennis mee gemaakt hebben? En dan waarschijnlijk ook nog eens via een pakje uit de serie ‘Wereldgerechten’ van Knorr (met een paar totaal misplaatste, zij het uiteraard bijzonder gezonde sperziebonen eraan toegevoegd)? Omdat de Apartheid van 1948 tot 1990 werkelijk ieder element van de Zuid-Afrikaanse cultuur raakte, tot de keuken aan toe.

Na de Tweede Wereldoorlog werden de blanke Zuid-Afrikaanse machthebbers zo bang dat de zwarte bevolking invloed op het bestuur zou willen uitoefenen, dat zij een systeem van geïnstitutionaliseerde discriminatie invoerden. Alle zogenaamde niet-blanken werd praktisch ieder zelfbeschikkingsrecht ontnomen en alles werd in het werk gesteld om ‘vermenging’ te voorkomen. Restaurants, hotels, treinen, parken en scholen waren alleen nog voor witte mensen toegankelijk. Op de menukaarten stonden slechts nog  Europese gerechten. De Maleisische ‘foodtrucks’ die op elke straathoek van Kaapstad te vinden waren geweest, verdwenen uit het straatbeeld.

Een in Kaapstad gevestigde journalist van de New York Times bemerkte in de vroege jaren tachtig de eerste kentering. In politiek opzicht was het land misschien nog in de ban van de Apartheid, de cultuur in de stad nam vast een voorsprong op de afschaffing ervan. Er waren steeds meer restaurants die de segregatiewetten niet meer naleefden en waar ook de traditionele gerechten weer op de kaart verschenen. Voor wie de bobotie wilde proeven, leverde hij niet alleen een lijstje restaurants, maar ook het recept.

Recept

Ook uw Archiefkok maakte pas in de late jaren negentig kennis met de bobotie: bij ons thuis een gerecht van gehakt en appel uit de oven waar ik als puber nou niet direct een liefhebber van werd. Over de geschiedenis ervan had ik echter nooit nagedacht en ik was dan ook bijzonder verbaasd toen ik een jaar geleden tijdens onderzoek in het Zeeuws Archief een recept vond voor bobotto en later nog één in Leeuwarden bij Tresoar. Nu ik de geschiedenis wel ken, ben ik eigenlijk vooral verbaasd dat ik in al die jaren onderzoek niet meer recepten heb gevonden. Dit gerecht van de Kaap zou in Nederland toch bekend geweest moeten zijn? Of kunnen we het simpelweg verklaren met het feit dat de meeste Nederlanders die zich in Zuid-Afrika vestigden niet meer naar Nederland terugkeerden en hun keuken hier daarom geen bekendheid kreeg?

Waarom de Zeeuwse Elisabeth de Bats en de Friese Eduarda Martin het recept wel kenden, blijft ook een mysterie. Elisabeth komt uit een familie van artsen die de provincie niet verlaten lijken te hebben. Misschien aten zij regelmatig bij families met VOC-connecties? Eduarda komt uit een familie van hoge officieren waarvan er ongetwijfeld een paar overzee zijn geweest. Maar een Indische kok in het Friese Hallum is toch moeilijk voor te stellen. Bovendien waren de recepten dan waarschijnlijk ook wat beter geweest. Waar wij bobotie kennen als een gerecht van gehakt met heel veel lekkere dingen eraan toegevoegd, kwamen deze dames niet verder dan wat kerriepoeder en een uitje. Eduarda schreef twee versies van het recept op. Voor de beste variant heeft u nodig:

  • Kalfs- of rundergehakt: pond
  • Ui: een grote, fijngesneden
  • Kerriepoeder: anderhalve lepel
  • Boter: Flinke klont
  • Eieren: 3
  • Scheutje melk
  • Zout
  • Een grote ovenschaal

Aan de slag

Verwarm de oven voor op 140 graden

Doe de boter in een grote koekepan en voeg de ui en de kerriepoeder erbij. Bak even op hoog vuur en daarna nog een minuut of tien met het vuur laag. Draai het vuur weer hoog als het gehakt erbij gaat en bak dit rul.

Meng in een kom de eieren met wat zout en een scheutje melk.

Meng een deel van het eiermengsel door het gehakt en doe het gehakt dan in een kleine ronde schaal. Giet de rest van het eiermengsel bovenop.

Zet het schaaltje in de ovenschaal in de oven en giet daarna water in de grote ovenschaal. Zo kookt u de boboto twee uur lang au bain-marie in de oven.

Aan tafel

In de twee uur dat de boboto in de oven stond, vulde het huis zich met de meest heerlijke geuren. Kerriepoeder is misschien een smaak waar we ondertussen wel aan gewend zijn, het ruikt nog steeds heerlijk. Wat er na twee uur uit de oven kwam, zag er bovendien prachtig uit. Mijn vrees dat het eilaagje door het gehakt was gezakt, bleek onterecht. De boboto had een prachtige bovenkant.

Bij het snijden bleek echter dat, door het gebrek aan ei in het gehakt, de onderkant als los zand uit elkaar viel. Interpretatiefoutje van uw Archiefkok. Boboties van tegenwoordig hebben zo’n laagje aan de bovenkant maar van Eduarda had ik eigenlijk al het ei door het gehakt moeten mengen. Eigen schuld dus en extra zuur omdat het geheel hierdoor ook een tikje droog was uitgevallen. Bovendien was het, ondanks al die kerrie, eigenlijk een beetje flauw. Waar is het fruit, de noten, de peper, het citroensap? Nee, Eduarda heeft vast nooit een voet in Zuid-Afrika gezet, anders had dit recept haar kookboek nooit gehaald.

Links

Archiefstuk waaruit dit recept afkomstig is

Archiefstuk waarin het recept van Elisabeth te vinden is

Het recept van Joseph Lelyveld van de New York Times