Karrie van piesan bloemen

Grote kans dat u regelmatig een banaan eet. Gezond, voedzaam en door zijn ingebouwde verpakking handig om mee te nemen (behalve dat ‘ie nogal de neiging heeft geplet te raken onderin uw tas) . De kans dat u wel eens diep nadenkt over die banaan is een stuk kleiner. Misschien heeft u in de winkel wel bewust besloten een fair trade exemplaar te kopen of heeft u wel eens opgezocht waarom ze nou eigenlijk echt krom zijn, maar veel verder gaat ons gedachteproces vaak niet.

Bananenplant in bloei: Door Esskay, CC BY-SA 3.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=3625977

Dat veranderde bij uw Archiefkok tijdens een bezoekje aan de prachtige Hortus Botanicus in Leiden. Daar groeien in de tropische kas bananenbomen die tijdens mijn bezoek net voorzichtig in bloei stonden. De kleine paarse bloemetjes waren prachtig en hier en daar was de eerste aanzet van een bananentrosje zichtbaar. Wat een klein wonder.

Deze mooie paarse bloemetjes was ik echter alweer vergeten toen ik een recept tegenkwam voor karrie van piesan bloemen. Dat recept stond in het prachtige kookboek van de in Indië geboren Meintje Senn van Basel, waarover ik in het blog over bole de coca moeijiedoe al uitgeweid heb. Pisang is het Maleise woord voor banaan, dat wij vooral kennen van de uitdrukking ‘de pisang zijn’. Al hoor je dat niet zo vaak meer. Dat was het moment dat ik me echt begon te verdiepen in het groeiproces van de banaan.

De bananenplant (hier musa genoemd) onder het kopje Indiaensche en andere vreemde kruyden in een 17e-eeuwse uitgave over Indië (en voor wie goed kijkt, de witte gympen van uw Archiefkok)

De bananenplant is officieel een kruid, al wordt deze in de tuinbouw tot de groenten gerekend en in de culinaire traditie tot de fruitsoorten (tomato, tomato). De gele banaan waar wij per persoon per jaar kilo’s van wegkauwen, kwam oorspronkelijk in de natuur alleen helemaal niet voor. Deze banaan is gekweekt en gemodificeerd door de hertog van Devonshire William Cavendish. Hij ontving in 1834 een lading bananen uit Mauritius en cultiveerde de plant in zijn kassen tot de bananenplant die vanaf 1850 over de hele wereld werd verspreid. We noemen deze bananen daarom nog altijd Cavendish-banaan.

William Spencer Cavendish

Deze Cavendish-banaan is zo populair geworden dat er intussen sprake is van een monocultuur. Er worden bijna geen andere soorten meer gekweekt. Dat maakt de toekomst van de banaan kwetsbaar want de plant wordt bedreigd door twee schimmelziektes. Als deze de overhand krijgen, is het gedaan met de banaan op onze fruitschaal. Vandaar dat wetenschappers hard werken om, met behulp van nog bestaande andere bananensoorten, nieuwe en resistente kruisingen te maken. Tot die tijd wordt er helaas erg veel vergif gebruikt.

De bananen zelf groeien in tropische klimaten aan hoge bomen. Iedere tros begint met een grote bloemknop waarvan steeds een blaadje opengaat. Achter ieder blaadje gaat een deel van de bananentros schuil dat onder de tropische zon verder uitgroeit tot de hele knop verdwenen is en er een grote tros bananen hangt. Een bloem eraf halen, kost een kweker dus meteen een hele tros bananen. Economisch lijkt mij dat geen verstandige beslissing, maar toch bestaan er recepten die vragen om de bananenbloem.

Recept

Het vinden van zo’n bananenbloem is in Nederland niet simpel. Ze zijn bijzonder kwetsbaar en rotten snel weg. Geen wonder dus dat ze bijna nergens te koop zijn, zelfs niet in de oosterse supermarkten van Den Haag die doorgaans alles verkopen wat een Archiefkok maar nodig kan hebben. Met behulp van vele lieve Twitteraars, kwam ik echter op het spoor van een supermarkt in het Haagse Chinatown. Een wat verwarrend telefoontje later had ik ongeveer begrepen dat zij elke vrijdag  verse bananenbloemen binnenkrijgen.

Eénmaal in de winkel kon ik de bloem in kwestie eerst niet vinden. Die bleek namelijk ongeveer vier keer groter dan ik had verwacht. En minstens vier keer duurder, maar toen wist ik ook nog niet dat zo’n bloem een hele tros bananen voort kan brengen.

Bananenbloem met citroen ter vergelijking

Om de karrie voor vier personen te maken had ik nodig:

  • Een bananenbloem
  • 200 gram rauwe gepelde garnalen
  • 200 gram verse geraspte kokos (gedroogd kan ook, doe dan 100 gram)
  • Drie uien
  • Rode peper (niet op de foto)
  • Saffraan
  • Olie
  • Beetje zout en citroensap

Aan de slag

Zet een schaal klaar met zout water en een paar druppels citroensap.

Snij de ui en de rode peper in stukjes en stamp deze in de vijzel tot een fijne pasta. Controleer of de garnalen schoon zijn (geen darmkanaaltjes meer).

Haal de vier buitenste bladeren van de bloem eraf en bewaar deze in plastic in de groentela. Deze bladeren zijn te taai om te eten maar dienen straks als decoratieve bordjes.

Snij de rest van de bloem in de lengte door (bewonder de binnenkant, maar niet te lang) en snij de bloem in dunne plakjes. Doe deze zo snel mogelijk in het zoute water om verkleuren te voorkomen.

Zet een wok op het vuur en verwarm er een eetlepel olie in. Bak hierin de pasta van ui en peper vijf minuten. Blijf roeren. Knijp dan de gesneden bananenbloem uit en doe dit samen met de kokos en een paar draadjes saffraan erbij in de pan. Bak al roerend acht minuten. Voeg dan de garnalen toe en bak deze nog drie minuten mee.

Serveer de karrie op de bladeren en strooi er eventueel nog wat (geroosterde) kokos over.

Aan tafel

De presentatie van dit gerecht schept hoge verwachtingen. Gelukkig doet de smaak daar recht aan. Karrie van piesan bloemen is een heerlijke garnalencurry. De peper en uien maken het een beetje pittig, de kokos zorgt voor het zoet en de garnalen waren perfect gaar. En de bananenbloem dan? Ja, daar legt u toch even de vinger op de zere plek. Die is niet vies, maar helaas ook niet heel bijzonder. Misschien gebruikte ik toch een blaadje te veel van de buitenkant en sneed ik de bladeren te grof, waardoor het een beetje taai werd. Maar ook over de smaak valt weinig te zeggen. Die viel eigenlijk volledig weg in de curry. Dan gaat een archiefkok zich toch afvragen of dit de moord op een hele tros bananen waard is.

Links

Archiefstuk waaruit dit recept afkomstig is

Chinese Supermarkt Wah Nam Hong

Wiki over de Cavendish banaan

Zelf bananenbloemen bekijken? Ga naar de Hortus Botanicus

Bole de Coca Moeijiedoe

Eén van de meest bijzondere kookboeken in de collectie van het Nationaal Archief is het kookboek in het archief van Jean Chrétien Baud. Deze voormalig minister van Marine, minister van Koloniën en Gouverneur-generaal van Nederlands-Indië schreef dat kookboek niet zelf. Het is afkomstig van zijn vrouw Wilhelmina Henriette Senn van Basel.

Wapen van de familie Baud

Meintje werd in 1798 in Batavia geboren in een familie die al generaties lang in Indië woonde. Aan haar vaderskant is het lijntje het kortst. Opa Huijbert Senn van Basel werd geboren in Schiedam. Aan de kant van haar moeder, Theodora van Riemsdijk, gaan de Indische wortels veel dieper. Bijna honderd jaar lang werden al haar voorouders, met prachtige namen als Breekpot, Craan en Ongewassen (vooral mooi in combinatie) geboren in Batavia, op West-Java en op Ambon.

Wie zo lang in het buitenland woont, koestert de banden met het moederland maar past zich ook aan. Zeker in een tijd dat een reis naar Nederland een hachelijke onderneming van maanden was die zelden voor het plezier werd ondernomen. Het kookboek van Meintje illustreert die spagaat perfect. Er staan recepten in die duidelijk generaties lang zijn overgeleverd van vrouwen die nog wel in Nederland woonden, zoals hutspot, wafels en roomvlaai én recepten die alleen in Indië konden ontstaan, zoals ananastaart en kerrieschotels.

Het meest bijzonder zijn echter de namen van sommige recepten. In het kookboek zijn deze niet vernederlandst maar opgenomen in het Maleis-Portugees. Deze taal ontstond uit een mix van lokale talen en de taal van de eerste Europeanen die per schip Indië bereikten. Nadat de Portugezen in 1511 de havenstad Malakka bezetten en er een uitgebreide handel in specerijen opzetten, werd het Portugees één van de belangrijkste handelstalen in het gebied. De VOC- koopmannen die in 1641 de Portugezen verdreven, maakten zich de taal dan ook snel machtig.

Tekening van Malakka uit een boek uit 1891 over het leven van ontdekkingsreiziger Ferdinand Magellaan

Families, zoals die van Meintje, die vanaf de vroege achttiende eeuw in Indië woonden, waren allemaal vertrouwd met het Maleis-Portugees. Meintje en haar voormoeders schreven de namen van de gerechten dan ook in die taal op in hun kookboeken. Gelukkig voor uw Archiefkok, in wier familie geen Indische connectie te ontdekken valt, schreven ze de aanwijzingen wel in het Nederlands. Vooral omdat de namen van de gerechten fonetisch opgeschreven lijken. Dat maakt het lastig om de moderne namen van het gerechten uit te puzzelen en op die manier uit te vinden wat het eindresultaat ongeveer zou moeten zijn.

Gelukkig heb ik één groot voordeel: door een reis van een paar jaar geleden door Brazilië en mijn werk op Curaçao ben ik bijzonder goed bekend geraakt met het woord bolo, dat zowel in het Portugees als Papiaments “taart” betekent. Recepten die met dat woord beginnen, zijn uiteraard het belangrijkst.

Recept

Het begin van de naam van dit recept is niet moeilijk. Van coca kunnen we wel concluderen dat het om kokos gaat (al ligt een vergissing met een berg cacaopoeder op de loer) en gecombineerd met het bekende bole, hebben we het dus over een taart van kokos. Het laatste woord stelde mij echter voor raadselen. Wat is Moeijiedoe? Hier bood een collega (die met zijn Portugese connecties ook al eens marmelade van kweepeer voor uw Archiefkok had gescoord) een helpende hand. Waarschijnlijk is dit woord afgeleid van het Portugese woord mexido dat geroerd betekent. De o wordt in het Portugees uitgesproken als een oe en de regels voor de uitspraak van de Portugese x zijn voor de meeste Nederlanders onnavolgbaar. Geen wonder dat dat een brei van eijie werd.

Om deze geroerde kokostaart te maken, hebben we nodig:

  • Geraspte kokos van twee kokosnoten
  • 15 eierdooiers
  • 500 gram suiker
  • Zes handen rijstmeel

Als dat u wat te ingewikkeld of te veel is, neemt u voor wat minder taartjes:

  • 200 gram gedroogde en al geraspte kokos
  • 7 eierdooiers
  • 250 gram suiker
  • 100 gram rijstmeel

Aan de slag

Uw Archiefkok maakte dit recept met verse kokosnoten. Eerst sloeg ik een klein gaatje op de plek waar de kokosnoten het zachtst zijn (dat zijn die drie kleine gaatjes die de kokosnoot een snoetje geven) en liet het water eruit lopen. Dat hield ik apart. Daarna legde ik ze in een oven die ik even had voorverwarmd op 100 graden en daarna weer uitgezet. Na tien minuten haalde ik ze eruit en sloeg er een paar keer op met de achterkant van een flink mes. De schil breekt dan redelijk gemakkelijk. Het raspen van het vruchtvlees bleek vele malen moeilijker. Ik haalde herhaaldelijk mijn vingers open.

Tip: haal gewoon gedroogde en geraspte kokos. Werkt net zo goed.

Verwarm de oven voor op 180 graden.

Klop de eierdooiers met de suiker schuimig en voeg dan de kokos en het rijstmeel toe. Blijf flink doorkloppen. Het recept schijft voor dat het er moet uitzien alsof het gerezen is. Dat resultaat wilde bij mij alleen maar niet komen. Wel was het geheel een nogal droge bedoening, waardoor ik me afvroeg of soms niet alleen de kokos, maar ook het water van de twee klappers door het beslag moest. Ik voegde ongeveer 100 milliliter toe en kreeg toen een beslag dat wat meer leek op cakebeslag.

Daarna moet de taart bakken in een batika die met boter is besmeerd en dan gebakken in de oven. Even dacht ik nog dat het om een batikdoek ging, maar ik kon me niet voorstellen dat je die in de oven kunt leggen, dan gaat ongetwijfeld de fik erin. Een betekenis van het woord kon ik echter niet vinden. Ik besloot kleine ronde schaaltjes te gebruiken. Omdat ik nog vreesde voor uitdroging, zette ik die schaaltjes in een bak met water in de oven. Dan worden de kleine boles gestoomd. Na een half uur haalde ik ze uit de oven en strooide er wat geroosterde kokos overheen.

Helaas voor de jury waren de cakejes op dat moment nog niet helemaal gaar. Dat weerhield ons er echter niet van de schaaltjes helemaal leeg te eten. Bole de coca moeijiedoe zijn een heerlijke traktatie.

Nabrander

Nadat de collega met de Portugese connecties mij op de juiste naam had gewezen, vond ik online verschillende recepten voor kleine Portugese kokostaartjes. In die recepten wordt geen rijstmeel of kokoswater toegevoegd, maar wordt wel het wit van de eieren gebruikt. Het resultaat ervan lijkt bijzonder veel op een kokosmakroon. Voor uw Archiefkok een reden om nog eens aan het experimenteren te slaan.

Ondertussen heb ik vier verschillende versies gebakken om uiteindelijk te concluderen dat ik de gestoomde versie eigenlijk het allerlekkerst vond. Deze is het makkelijkst te maken in een muffinvorm op een rooster met daaronder een bakplaat met een beetje water erop. Misschien niet zoals Meintje het bedoelde maar geloof me, hier maakt u vrienden mee.

Links

Archiefstuk waaruit dit recept afkomstig is

Recepten voor bolinhos de coco (in Portugees)

 

Fessanjan met pollow

In de stad Den Haag, waar uw Archiefkok woont, ligt een prachtige wijk met kapitale villa’s waar grote hekken omheen staan. Deze villa’s staan officieel op Nederlandse grond maar er wapperen andere vlaggen. Hier zijn namelijk de ambassades gevestigd van landen die een diplomatieke vertegenwoordiging in ons land hebben. Zelf heeft Nederland wereldwijd ook 140 consulaten en ambassades.

Consulaten zijn er vooral om Nederlanders in den vreemde te ondersteunen. Als zij in het buitenland in de problemen raken, is de consul vaak het eerste aanspreekpunt. Daarnaast houden de consuls zich bezig met het onderhouden van handelsbetrekkingen. Ambassadeurs gelden als de politieke vertegenwoordigers van de Nederlandse regering. Vaak is een ambassade dan ook gevestigd in de stad waar ook de regering van het betreffende land zetelt. Ambassadeurs genieten diplomatieke onschendbaarheid, wat betekent dat zij in hun gastland niet zomaar kunnen worden gearresteerd of berecht. Wanneer de betrekkingen tussen twee  landen door een incident ernstig bekoeld raken, kunnen ambassadeurs wel worden uitgezet.

Door Aquintero82 - Eigen werk, Publiek domein, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=4946164

Landen waar Nederland een diplomatieke vertegenwoordiging heeft

Tot 1914 hadden alleen politieke grootmachten ambassades. Nederland kende tot 1940 alleen zogenaamde gezantschappen. Dat zijn ook diplomatieke vertegenwoordigingen maar dan net een treetje lager in rang. Vanaf 1903 had Nederland ook een gezant in Iran, toen nog Perzië geheten. De betrekkingen tussen beide landen stelden echter weinig voor en de post was regelmatig vacant. De Nederlandse belangen werden dan waargenomen door andere landen zoals Rusland en Italië. Pas vanaf 1927 werd en bleef de post permanent bezet.

Perzië

De naam Perzië is afkomstig van het volk dat acht eeuwen geleden in het westen van het huidige Iran de basis voor onze beschaving legde. Hier ontstond namelijk de landbouw en (niet onbelangrijk) de wijnbouw. De koning van Perzen, Cyrus II, had echter grotere ambities. Met een lange reeks succesvolle oorlogen wist hij zijn rijk uit te breiden tot een land dat liep van Griekenland en Libië in het westen tot aan het huidige Pakistan in het oosten. Onderworpen volken wist hij op diplomatieke wijze aan zich te binden door geroofde religieuze schatten terug te geven en zijn vijanden niet te bestraffen. Ondanks dat zijn grote rijk 200 jaar later ten prooi zou vallen aan Alexander de Grote, zou het gebied tot 1935 het naam van zijn volk dragen.

Door DHUSMA - The Department of History - United States Military Academy, Publiek domein, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=621352

Het Perzische Rijk

In dat jaar 1935 was in Perzië Reza Pahlavi aan de macht. Deze voormalig kolonel, die in 1920 met een succes een communistische opstand had onderdrukt, had in 1921 een staatsgreep gepleegd en daarna langzaam alle macht naar zich toe getrokken. Daarbij werd hij gesteund door het Verenigd Koninkrijk. Zij waren blij met een anticommunistische bondgenoot zo dicht bij de Sovjet Unie en kregen in ruil voor hun steun ook nog eens toegang tot de rijke Iraanse olievoorraden.

Pahlavi wilde van Perzië een westerse staat maken en zag daarbij de Turkse president Atatürk als zijn grote voorbeeld. Kerk en staat moesten worden gescheiden. Onder zijn bewind werd de sharia vervangen door burgerlijke rechtspraak, kregen vrouwen meer rechten en werd het gebruik van alcohol oogluikend toegestaan (al bleef het officieel strafbaar). Wie foto’s van deze periode ziet, gelooft niet dat ze in Iran gemaakt zijn. Eind jaren zestig liepen de meisjes er in minirok naar de universiteit.

Iraanse studentes in de jaren zestig

Zachtzinnig ging het er echter niet aan toe. Zowel Reza als later zijn zoon Mohammad regeerden het land als dictators, dulden geen tegenspraak en lieten zich aanspreken als sjah, al waren zij niet van adel. Om hen heen ontstond een kleine en rijke bovenklasse die de religieuze voorschriften steeds minder naleefde. Zij alleen profiteerden van de oliehandel. De vaak nog streng gelovige en bovendien arme plattelandsbevolking zag het met lede ogen aan. Net als vele studenten, communisten en intellectuelen.

Hoewel kritiek op de sjah officieel niet was toegestaan, werd het ongenoegen door de bevolking vanaf de jaren zeventig steeds openlijker geuit. Dat de demonstraties hardhandig werden onderdrukt, maakte het protest alleen maar groter. Toen de acties in 1978 op hun hoogtepunt geraakten en er massaal gestaakt werd, weigerde een deel van de militairen nog langer op te treden tegen hun landgenoten. Nog datzelfde jaar werd de revolutie uitgeroepen en verliet de sjah het land.

Reza Pahlavi en echtgenote bij de Amerikaanse president John F. Kennnedy

Drie maanden later keerde ayatolla Khomeini terug in het land. Zijn scherpe kritiek op de westerse invloed op Iran had deze religieuze leider tot vijand nummer één van de sjah gemaakt. Hij leefde daarom al jaren in ballingschap. Hij beloofde de bevolking de westerse invloed op het land te zullen verminderen en de islamitische waarden terug te brengen. Dat hij vervolgens beloofde de olieopbrengsten onder het volk te verdelen, maakte hem nog populairder.

De revolutie, die was begonnen door links georiënteerde studenten, communisten en intellectuelen werd op deze manier handig gekaapt door de geestelijken. Toen de bevolking zich in april 1979 middels een referendum mocht uitspreken tussen het behoud van de monarchie of het instellen van een islamitische republiek, was de keuze voor velen snel gemaakt. Die sjah bliefde men niet meer. Iran werd het strenge islamitische land dat wij nu kennen.

Recept

In het jaar 1951 was dat alles nog ver weg. Op het Nederlandse gezantschap te Teheran waren het alleen de Nederlanders zelf die wel eens voor onrust zorgden. Onwetendheid op het gebied van de gewoontes en gebruiken van het land konden gemakkelijk mislukte zakendeals en allerlei onwenselijke sociale situaties tot gevolg hebben. Op verzoek van het ministerie, stuurde het gezantschap daarom maar eens wat informatie naar Nederland.

De ambtenaar die dit tot taak kreeg, ging er eens goed voor zitten. Hij zette uiteen wat de Ramadan inhield, dat het formele alcoholverbod dan wel niet erg werd nageleefd, maar dat niemand openlijk dronk en dat men zich tegen zowel getrouwde als ongetrouwde Iraanse vrouwen terughoudend diende op te stellen. Wie van plan was Iraniërs te eten te vragen, kreeg van het consulaat drie handige recepten mee die uiteraard geen varkensvlees bevatten. Hier kon niemand zich een buil aan vallen.

Uw Archiefkok, die zo’n helpende hand best kan waarderen, bleef wel met een paar prangende vragen achter. Zouden alle Iraniërs die na 1951 bij Nederlanders over de vloer kwamen, deze fessanjan met kip op hun bord gekregen hebben? En er grapjes over gemaakt hebben toen ze het voor de vierde keer kregen? Of konden ze dit recept wel waarderen? Hoog tijd om te proeven!

Aan de slag

Een fesenjan (zoals het officieel gespeld wordt) is een Iraans stoofpotje dat vanouds heerlijk gekruid wordt met bijvoorbeeld kurkuma, nootmuskaat en kaneel. De medewerker van het consulaat die het recept opschreef, had daar echter geen weet van. Hij schreef alleen de hoofdingrediënten op. Ook zijn verdere aanwijzingen zijn nogal minimaal. Uw Archiefkok betwijfelt of de goede man zelf ooit wel eens een pan had aangeraakt. Voor zijn versie van Irans nationale gerecht voor vier tot vijf personen heeft u nodig:

  • 500 gram walnoten
  • 500 gram kip (liefst afkomstig van poten en vleugels)
  • Twee niet al te grote uien
  • 300 ml granaatappelsap (ook te vervangen door citroensap met suiker)
  • Water
  • Stoommandje

Allereerst moeten de walnoten goed fijn worden gemalen. Denk niet (zoals ik) dat een beetje crunch vast fijn is, dat valt namelijk nogal tegen.

Stoom vervolgens de kip gaar. Dat kan gemakkelijk in een stoommandje dat u voor een paar euro bij een bekende huishoudelijke winkel kunt kopen. Hoe snel het gaat, hangt af van hoeveel u in dat mandje propt. Twee kleine poten zouden in twintig minuten klaar moeten zijn. Wie alles tegelijk erin stopt, is ongeveer 45 minuten kwijt. Leg de stukken zonder bot bovenop, dan kunt u die eruit halen als ze gaar zijn.

Snijd de uien fijn en braad ze aan in wat plantaardige olie. Voeg daarna de gemalen walnoten en zo’n 300 ml water toe. Nu moet u dit een tijdje laten bakken (wel roeren, het bakt snel aan) zodat het een mooie donkere kleur krijgt. Dat staat echter niet in het recept van onze onwetende raadgever. Die zegt dat u meteen de gestoomde kip (in stukjes, zonder botten) erbij kunt doen en dan ook meteen het granaatappelsap. Het resultaat krijgt de onsmakelijke grijzige kleur van leverworst.

Laat deze saus een half uurtje zachtjes koken en dien daarna op met rijst. Als u die ook op de Iraanse wijze wilt serveren, bakt u deze na het koken op in een flinke klont boter.

Aan tafel

Zoals reeds gezegd, ziet deze fesenjan er niet zo smakelijk uit. Vandaar dat ik voor de foto maar even kwistig heb gestrooid met de peterselie. Qua smaak is ‘ie echter zo gek nog niet. Kip, walnoten en granaatappelsap blijken een uitstekende combinatie. Geen wonder dat dit het nationale gerecht van Iran is.

Dankzij onze, intussen minst favoriete, gezantschapsmedewerker van het jaar 1951 is het alleen wel heel flauw. De jury vroeg dan ook voorzichtig of peper en zout een optie waren. Officieel natuurlijk niet maar uw Archiefkok is de kwaadste niet. Er werd even flink gestrooid en gemalen en toen gingen alle bordjes leeg. Als u het wilt maken, zoek dan een modern recept voor fesenjan en gebruik die peper, kurkuma en kaneel. Dan heeft u echt een topgerecht!

Links

Archiefstuk waaruit dit recept afkomstig is

Modern recept voor Fesenjan

Alles over de Iraanse revolutie

Arepa di pampuna

Zoals sommigen van u misschien al weten, is uw Archiefkok net teruggekeerd van een vijfweeks verblijf op Curaçao. Daar was ik niet om te snorkelen en te luieren op hagelwitte zandstranden (ok, ok, een beetje misschien) maar om te helpen bij het opzetten van een archiefopleiding. Daarom sliep ik ook niet tussen de rest van de Nederlanders in één van de luxe resorts aan de kust, maar midden in het mooie oude centrum van Willemstad.

Dat oude centrum, Punda, is gebouwd achter het Fort Amsterdam dat de West-Indische Compagnie in 1635 optrok om de haven van het eiland te beschermen. De Nederlandse invloed is hier dan ook goed te zien. Zo zijn de huizen gebouwd van Hollandse bakstenen en rode dakpannen, die per schip uit Nederland werden aangevoerd, en voorzien van een puntdak. Dat dit type dak ontworpen was om niet in te storten bij stevige sneeuwval en totaal ongeschikt was voor de tropische warmte van Curaçao, mocht de pret niet drukken.

De WIC had zijn oog op het eiland laten vallen als uitvalsbasis voor de kaapvaart. Er was een natuurlijke en beschermd gelegen haven en nadat de Portugezen in 1654 de Nederlanders uit Brazilië hadden verjaagd, was Curaçao de laatste post die de WIC nog had in ‘de West’. Vanaf de jaren zestig van die eeuw werd het eiland echter gebruikt voor lucratievere doeleinden. Het werd een doorvoerhaven voor de slavenhandel. De WIC kocht en roofde mensen van de kust van West-Afrika en vervoerde ze naar Curaçao, van waar handelaren ze verder vervoerden naar Noord- en Zuid-Amerika en andere eilanden in het gebied.

De slavenhandel en het besluit van de WIC dat iedereen in Willemstad welkom was om handel te drijven, maakte van Curaçao in korte tijd één van de rijkste eilanden in het gebied. Handelaren kwamen van heinde en ver en een groot aantal van hen vestigde zich er ook. Zo werd het eiland onder andere een toevluchtshaven voor uit Spanje en Portugal verdreven Sefardische Joden. De synagoge die zij in de zeventiende eeuw op het eiland bouwden, is tot op de dag van vandaag in gebruik en de oudste nog bestaande synagoge in het Caraïbisch gebied.

Al die buitenlandse invloeden uit Europa, Amerika en Afrika hadden hun invloed op de cultuur van Curaçao. Waar de bouwstijl eerst Nederlands was geweest, deden er steeds meer Spaanse invloeden hun intrede. Zo werden galerijen gebouwd om de zon uit het huis te kunnen weren en werden de huizen, die ondertussen gebouwd werden van het lokale koraalsteen, witgekalkt. De vrolijke kleurtjes kwamen pas later. De taal die ontstond, het Papiaments, had oorspronkelijk nauwelijks Nederlandse maar des te meer Spaanse, Portugese en Engelse invloeden.

Het bestaan op Curaçao veranderde echter radicaal na de afschaffing van de slavernij in 1863. Het belang van de haven boette in en veel inwoners vertrokken naar andere eilanden om werk te zoeken. De Nederlanders bleven achter en vanaf dat moment werd ook de Nederlandse invloed groter. Dat werd nog sterker nadat in 1914 olie werd ontdekt voor de kust van Venezuela en de Shell een grote raffinaderij op het eiland bouwde. Die trok niet alleen veel lokale werknemers, maar ook vele Nederlandse ingenieurs die zich met hun gezinnen op het eiland vestigden.

De Nederlandse bevolking op het eiland groeide ook door de komst van Nederlandse bruiden. Jonge mannen van goede komaf gingen al vanaf de negentiende eeuw naar Nederland om te studeren en deden daar niet zelden een Nederlandse echtgenote op. Voor wie nog nooit over de grens was geweest, kon het een moeilijke overgang zijn. Niet alleen door de warmte, de veelheid van culturen en het Papiaments dat op straat gesproken werd, maar ook door het onbekende eten. De Curaçaose keuken is al net zo’n mengelmoes als de taal en van de lokale ingrediënten hadden de meeste dames nog nooit gehoord.

Wie een kok in dienst had, had daar natuurlijk niet zo’n last van, maar vanaf de vroege twintigste eeuw konden steeds minder mensen zich dat veroorloven. De Nederlandse dames moesten dus zelf aan de slag om hun gezin te eten te geven. Om hen te helpen, gaf de Curaçaose vereniging van huisvrouwen in 1943 het kookboek Uit de Curaçaose Keuken uit. Het boek was volledig gebaseerd op lokaal verkrijgbare ingrediënten (waaronder schildpad en leguaan) maar gaf geen hoeveelheden aan. Een Curaçaose ‘kokki’ deed namelijk alles op het oog en naar smaak van de familie. Tegenwoordig is het boek nergens meer te krijgen, maar het Nationaal Archief van Curaçao werkt aan een heruitgave.

Recept

Op Curaçao eet men vaak tussen de middag warm en één van de beste plekken om dat te doen is in de Marshe Bieu, de Oude Markt. Daarin vindt men kleine restaurantjes waar nog op traditionele houtskoolvuren wordt gekookt en waar voor een klein bedrag een groot bord vol stoofvlees of gebakken vis gegeten kan met een keuze uit rijst, bonen, aardappelpuree of funchi, een puree van maïsmeel. Na zo’n bord kon uw Archiefkok meestal letterlijk geen pap meer zeggen. Tot ik door een stamgast werd gewezen op het bestaan van de arepa di pampuna, de pompoenpannekoek.

Arepa di pampuna hebben magische krachten. Zodra je het eerste, heerlijke zoete hapje in je mond neemt, maakt je maag namelijk op wonderbaarlijke wijze ruimte om de hele arepa te accommoderen. En misschien wel twee. Ik was dan ook bijzonder gelukkig toen ik het recept ervan in Uit de Curaçaose Keuken aantrof. Zonder hoeveelheden uiteraard dus het onderstaande is gebaseerd op mijn eigen pogingen:

  • 300 gram pompoen in stukjes
  • 300 ml melk
  • 2 eieren
  • 150 gram bloem
  • 100-150 gram suiker naar smaak
  • 150 gram rozijnen
  • Paar fikse snuiven kaneel
  • Boter

Aan de slag

Breng de pompoenstukjes aan de kook met een klein laagje water en laat ze in een kwartier tot twintig minuten gaar koken. Het wordt puree, dus let op dat het aan het eind niet verbrandt. Laat de puree afkoelen.

Klop in een kom twee eieren en voeg daaraan de pompoenpuree en de melk toe en roer goed door. Voeg daarna in kleine beetjes bloem door terwijl u klopt met een garde. Het beslag moet dikker zijn dan gewoon pannekoekenbeslag. Roer dan de suiker, rozijnen en de kaneel erdoor.

Zet een grote koekepan op het vuur en smelt er een klont boter in (niet te zuinig zijn, de boter is belangrijk voor de smaak en bovendien is dit recept door die pompoen hartstikke gezond). De arepa worden gebakken als drie-in-de-pan dus schep met een grote lepel drie kleine beetjes beslag in de pan en zorg dat deze elkaar niet raken. Bak op hoog vuur tot de onderkant een beetje bruin is en draai het vuur dan laag tot de bovenkant is gedroogd. Dan kunt de arepa omdraaien en op hoog vuur nog even bruin laten worden. Herhaal tot het beslag op is.

Aan tafel

Wie dit recept volgt, krijgt masha dushi arepa di pampuna. Daar is geen twijfel over mogelijk. Ze bezitten zelfs diezelfde magische krachten want ik heb er net zeker vijf achter elkaar opgegeten. Maar toch mist er iets. Ze smaken niet zo fantastisch als die van Zus in de Marshe Bieu. Is het de warmte, is het de sfeer, zijn het de geuren van de houtskoolvuren? Deels waarschijnlijk, maar ik vermoed dat de oorzaak er vooral in zit dat deze Archiefkokki nog heel veel moet oefenen en variëren voordat ze zich een Curaçaose kokki mag noemen. Misschien wat meer pompoen, misschien een beetje zout, misschien wat meer of minder suiker? Gelukkig ga ik in het najaar weer terug naar Willemstad voor meer onderzoek.