Tzimmes van de rabbi

Misschien schrijf ik het niet zo vaak, maar uw Archiefkok maakt dit blog met ontzettend veel plezier. Vanwege het koken, het proeven, het zoeken naar vreemde ingrediënten, de leuke juryleden die zich aan mijn experimenten onderwerpen, maar toch vooral vanwege het onderzoek. De losse eindjes in een archief die, soms na een beetje en soms na heel veel moeite, samengeknoopt kunnen worden tot een prachtig verhaal.

Maar dit blog is anders. Het begon namelijk al met een verhaal. Een verhaal over twee Joodse grootmoeders in het Londense East End van de vroege twintigste eeuw. Het wordt verteld door één van hun kleinkinderen die zich herinnert hoe hij  in de nachten van donderdag op vrijdag met één van zijn bubbes door de straten van Londen liep om eten en geld door de brievenbussen van de minderbedeelden te stoppen. En hoe zijn twee grootmoeders, de één afkomstig uit Rusland en de andere uit Polen, het nooit eens waren over eten. Behalve dan dat de gewoonte van Nederlandse Joodse vrouwen overal maar nootmuskaat over heen te raspen, verachtelijk was.

Uw Archiefkok vond dit prachtige, Engelstalige, manuscript mét recepten in het archief van Jan van Bracht, voormalig hoofd van de kaartenafdeling en van de studiezaal van het Nationaal Archief. Het was hem duidelijk ooit toegezonden, op de voorkant staat met pen geschreven: ‘This is not the final draft, so it is just for you. Enjoy, enjoy!’ Maar door wie, dat was niet bekend en ook in de rest van het archief niet te vinden. Deze keer moest uw Archiefkok dus niet op zoek naar het verhaal, maar naar de schrijver.

Dankzij de namen van de bubbes, Goldstein (zeer veel voorkomend) en Bluestein (best zeldzaam) en de schat aan informatie die we tegenwoordig op internet tot onze beschikking hebben (ik zal u niet vermoeien met alle websites en zijpaadjes die daarbij ik bewandeld hebt, laat het genoeg zijn te bekennen dat ik hier zeker twee dagen aan heb besteed) kan ik u nu met zekerheid vertellen dat het manuscript afkomstig is van rabbi Lionel Blue. Geboren in 1930 als Lionel Bluestein in Hackney, één van de wijken van het Londense East End.

Lionel Blue is schrijver van een aantal boeken over de Joodse keuken, maar toch vooral bekend als de eerste openlijk homoseksuele rabbi van Engeland. Hij heeft meerdere boeken geschreven over zijn weg naar God en schuwt daarin niet een boekje open te doen over zijn jonge jaren, die hij gedeeltelijk in Amsterdam doorbracht. Toen ik echter een citaat vond uit zijn boek A Taste of Heaven, waarin hij in precies dezelfde bewoordingen als in het manuscript vertelt hoe zijn oma hem donderdagnacht wakker maakte om pakjes eten en geld door de brievenbussen van arme buurtgenoten te stoppen, wist ik zeker dat ik mijn schrijver had gevonden.

Helaas is de directe link tussen Blue en Van Bracht niet online, noch in het archief te vinden. Zeker is wel dat ze slechts twee jaar in leeftijd verschilden en dat ze allebei in de bekrompen jaren vijftig worstelden met hun geaardheid. De kans bestaat dat ze elkaar in die periode in Amsterdam hebben leren kennen. Uit de interviews met de rabbi blijkt in ieder geval dat homoseksuelen hier toen rustig konden leven zonder bang te hoeven zijn gearresteerd te worden. Dat was in Londen wel anders. Wellicht verruilde Van Bracht ook af en toe zijn katholieke studentenstad Nijmegen voor het vrije Amsterdam? We kunnen het hem helaas niet meer vragen. Hij is in 1987 al overleden.

De vriendschap moet wel even  stand hebben gehouden, want A Taste of Heaven werd pas in 1978 gepubliceerd. Het is helaas niet in Nederland uitgegeven en het is uw Archiefkok tot op heden nog niet gelukt een exemplaar te bemachtigen. We moeten het dus doen met de drie recepten die in het manuscript zijn opgenomen. Twee zijn voor borsjt (één van kool en één van bieten) en het laatste recept is het voor mij onbekende gerecht tzimmes.

Recept

Tzimmes zijn een traditioneel, vegetarisch, stoofgerecht dat vooral bij feestelijke gelegenheden wordt gegeten. Volgens rabbi Blue maakt iedereen het anders en konden ook zijn grootmoeders het niet eens worden over het recept. Hij moedigt ons dan ook aan om te experimenteren, als we de wortels, gerst en de bruine suiker er maar in laten. Uien, gedroogde abrikozen en zelfs dat door zijn bubbes zo gehate nootmuskaat kunnen erin.

Recept tzimmes

  • Wortels: 680 gram
  • Gedroogde pruimen: 460 gram
  • Plantaardig vet: 4 eetlepels
  • Citroensap: 1 theelepel
  • Zout: 2 theelepels
  • Rode peper: halve theelepel
  • Kaneel: halve theelepel
  • Gerst (te koop in natuurvoedingswinkels en bio supermarkten): 2 eetlepels
  • Honing: 1 eetlepel
  • Sap van een sinaasappel
  • Beetje bruine suiker
  • Stoofpan

In de traditionele joodse keuken worden melk- en vleesproducten volledig uit elkaar gehouden. Wie volgens de spijtwetten leeft, heeft zelfs twee aparte keukens. Wie geen vlees serveert bij dit vegetarische gerecht, kan boter of margarine gebruiken. Wie tzimmes echter serveert met stoofvlees (en dat is zowel traditie als bijzonder aan te raden) zal volledig plantaardig vet gebruiken. Als u zich net als ik niet aan die spijswetten hoeft te houden, kunt u uiteraard doen wat u wilt.

Aan de slag

INgredienen tzimmes

Doe de pruimen in een schaal en zet ze net onder water. Schrap de wortels en snij ze in grove, ongeveer even grote stukken.

Doe het vet in de stoofpan en bak de worteltjes met de bruine suiker tot ze licht geglaceerd zijn.  Doe dan de pruimen met het overgebleven water erbij en alle andere ingrediënten. Breng aan de kook en laat daarna op een stoofplaatje twee uur stoven.

Kijk af en toe of het niet te droog wordt in de pan en voeg eventueel wat water toe. Aan het eind hoort u een lekker sappig stoofgerecht te hebben.

Aan tafel

Tzimmes

Rabbi Blue belooft ons E*X*C*I*T*E*M*E*N*T bij het eten van dit gerecht. Dat leek uw Archiefkok een tikje overdreven, al moest ik toegeven dat het erg lekker rook in de keuken terwijl het stond te stoven.

Eenmaal aan tafel, de bordjes gevuld met stoofvlees, tzimmes en wat brood, dacht ik eerst dat er wel wat meer kaneel in de pan had gemogen maar daarna raakte ik met elke hap meer vervuld van een aangename warmte. De eenkoppige jury, die door weer en wind naar het huis van de Archiefkok was gekomen, at achter elkaar haar bordje leeg en gebruikte het brood om de restjes op te deppen.

Dit mag dan een gerecht voor sabbat en feestdagen zijn, ik raad u aan u daar niks van aan te trekken. Zet, zodra de eerste tekenen van herfst zich tonen, de pan op het vuur en schrap die worteltjes. Ik kan u verzekeren dat er maar weinig eten is dat  u uw natte voeten zo snel doet vergeten als tzimmes. Stoof runderlappen (of meer traditioneel: een klapstuk) mee in dezelfde pan en dan heeft u er eigenlijk ook maar weinig werk aan. Eén tip: vervang een deel van pruimen door abrikozen. Dat is stukken beter voor uw spijsvertering én uw omgeving.

Links

Archiefstuk waaruit dit recept afkomstig is

Wiki over Lionel Blue

Meer over de Joodse immigranten in het East End

Uiteraard heeft ook Martha Stewart haar eigen recept voor tzimmes

Cocoanut Pyramids

Als u wel eens naar De Wereld Draait Door kijkt, heeft u het afgelopen jaar vast wel een meer of minder bekende Nederlandse artiest zijn of haar ‘guilty pleasure’ horen zingen. Onder dit heimelijke genoegen worden liedjes verstaan die eigenlijk niet kunnen (denk Wham en Corry en de Rekels), maar die we allemaal mee blèren als we ons onbespied wanen.

Uw Archiefkok kan hierover uitstekend meepraten, maar omdat het u niets aangaat dat ik Nothing’s Gonna Change My Love for You van Glenn Medeiros woord voor woord kan meezingen, wil ik het vandaag liever hebben over eetbare heimelijke genoegens. De saucijzenbroodjes bij het tankstation, de middernachtelijke uitstapjes naar de koelkast, de stiekeme stop bij de MacDrive terwijl thuis de aardappels staan te wachten en de chocotoffs in uw bureaula (of misschien wel uw nachtkastje). Want laten we eerlijk zijn, troep smaakt nu eenmaal stukken beter zonder afkeurende blikken uit uw omgeving.

Mijn guilty pleasure (of eerlijk gezegd, slechts één ervan) is de Bounty. Twee in één verpakking (en daarom al zo veel beter dan Mars of Snickers) en mierzoete plakkerige kokosvulling omgeven door een flinterdun laagje namaakchocolade. Geef me een zak mini’s en hij gaat leeg. Tenminste, als u me er mee alleen laat. In gezelschap raak ik zulke goedkope rommel uiteraard niet aan. En de geruchten dat ik in mijn studententijd wel eens een vloeibare Bounty (een onzalige combinatie van Malibu en Chocomel) dronk, moet u met een korreltje zout nemen. Het zou niet in me opkomen.

De Bounty in zijn huidige vorm wordt sinds 1951 door Mars geproduceerd, maar de combinatie van kokos en cacao is al veel ouder. Zo vond uw Archiefkok advertenties voor chocolade-cocoanut repen van de Nederlandse cacao- en chocolade fabriek Pette uit 1929. Cocoanut is de oude benaming voor coconut en de vrucht (want ondanks zijn naam is de kokosnoot geen noot maar een steenvrucht) heeft deze naam te danken aan de Portugese ontdekkingsreizigers die hem mee naar Europa namen. Coco is Portugees voor aapje en wie de harige bast met de drie gaatjes eens goed bekijkt, begrijpt die associatie meteen.

De kokospalm groeit in alle tropische gebieden ter wereld. Waar de boom oorspronkelijk vandaan komt, heeft niemand nog kunnen vast stellen. In zowel India, als Nieuw Zeeland en Zuid Amerika zijn sporen gevonden van meer dan 15 miljoen jaar oud. Omdat de noten van de kokospalm zich drijvend heel lang in leven kunnen houden, heeft de plant waarschijnlijk zelf voor deze wereldwijde verspreiding gezorgd. Al hebben in later eeuwen de ontdekkingsreizigers ook hun steentje bijgedragen.

Van de noten van de Lodoicea maldivia, beter bekend als Coco de Mer, die alleen maar drijvend in zee werden gevonden en nooit aan een boom, werd jarenlang aangenomen dat ze op de zeebodem groeiden. Dat de vorm deed denken aan het vrouwelijk achterwerk sprak daarbij extra tot de verbeelding. In 1737 werd in Amsterdam een exemplaar geveild op een curiosaveiling waar ook tropische schelpen en inheems houtsnijwerk werden verkocht. Pas in 1768 werd ontdekt dat de bomen waaraan de vruchten groeiden op twee eilandjes van de Seychellen te vinden waren.

Wanneer de kokosnoot gewoon werd in onze contreien, heeft uw Archiefkok niet kunnen vast stellen. De kans is groot dat de VOC de eerste noten uit Indië al in de zeventiende eeuw onze havens binnenbracht. In de vroege achttiende eeuw gingen in ieder geval al partijen van 130.000 stuks van de hand. Niet vreemd dus dat bij opgravingen in Vlaardingen in 1995 de resten van een kokosnoot werden gevonden die daar aan het begin van de achttiende eeuw was weggegooid.

Recept

Het recept van vandaag is helaas niet voor een voorloper van de Bounty, maar voor cocoanut pyramids. Gezien de schrijfwijze en het onderwerp, dateert het recept waarschijnlijk uit Engeland en uit het einde van de negentiende eeuw. Dat was immers de tijd van de grote Engelse opgravingen in Egypte. De drie recepten die uw Archiefkok ervoor heeft, zijn ook allemaal in het Engels geschreven.

Dit specifieke recept komt uit het archief van Charlotte Elisabeth Fentener van Vlissingen die eind negentiende eeuw op kostschool in Brussel zat. Dit was een zogenaamde ‘finishing school’ waar meisjes uit de hogere klasse werden opgeleid tot de perfecte echtgenote. De leerlingen kwamen uit heel Europa, waarmee de herkomst van de Engelstalige recepten in Charlotte’s archief kan worden verklaard.

Recept Cocoanut pyramids

Zoals gezegd is dit recept in het Engels en dat betekent dat de ounces geen onzen zijn, maar 28 gram. Voor dit recept heeft u dan ook nodig:

  • 280 gram witte basterdsuiker
  • 168 gram gedroogde en gemalen kokos
  • 2 eiwitten

Aan de slag

Ingredienten cocoanut pyramids

Maak een kom en de kloppers van uw mixer vetvrij met behulp van een halve citroen.

Splits de eieren en klop het wit stijf tot u de kom ondersteboven kunt houden. Schep daarna de suiker en de kokos door het eiwit. Doe geen moeite het luchtig te houden, dat lukt niet.

Laat het mengsel nu even rusten. Zo’n twintig minuten is genoeg. Kunt u mooi de oven voorverwarmen op 180 graden (of 160 voor een heteluchtoven) en de bakplaat bekleden met bakpapier.

Maak uw handen vochtig onder een koude kraan (niet kleddernat) en pak een bolletje van het kokosmengel. Vorm het op de bakplaat met behulp van een lepeltje tot een piramide. Probeer ze allemaal even groot te maken. Uw Archiefkok had genoeg beslag (of deeg?) voor 25 stuks.

Bak de piramides iets lager dan het midden van de oven zo’n 18 minuten tot ze goudbruin zijn. Laat ze met het papier afkoelen op een rooster. Om ze van het papier af te halen, maakt u met een kwastje de onderkant van het papier een beetje nat. U kunt de koekjes, net als kokosmakronen, ook op ouwel bakken. Dan eet u het papier gewoon op.

Aan tafel

Cocoanut pyramids

Uw Archiefkok bakte deze koekjes voor voor een groot gezelschap dat wel raad wist met de volle trommel. Binnen de kortste keren was er geen piramide meer te bekennen. Ze waren knapperig van buiten en heerlijk zacht en plakkerig van binnen. Uw Archiefkok vielen dan ook alleen maar complimenten ten deel.

Er was eigenlijk maar één aanmerking: dat puntje van die piramide vraagt gewoon om in de chocolade gedipt te worden. Nu kwam die opmerking alleen van mijzelf, maar de volgende keer dat ik ze ga maken neem ik deze wel ter harte. Met een beetje choco zien deze koekjes er nog mooier uit en hebben we de cocoa en cacao weer bij elkaar. Een historisch verantwoorde Bounty, die durf ik ook wel in het openbaar te eten.

Links

Dit recept komt uit het archief van de familie van Beuningen in het Utrechts Archief

De vondst van de kokosnoot in Vlaardingen

De geschiedenis van Pette’s Cacao- en chocoladefabriek

De Coco de Mer sprak ook tot de verbeelding van Willy van der Steen. Hij baseerde er Suske en Wiske en de komieke Coco op

Aardbeiengelei van Silvie, niet Amy

Recepten worden al eeuwenlang uitgewisseld. Als u iets bijzonder smakelijks eet bij vrienden of familie, vraagt u wellicht ook wel eens hoe u dat zelf klaar kunt maken. U krijgt het recept dan waarschijnlijk per e-mail, waar het gedoemd is voor altijd in uw inbox te berusten. Opschrijven in uw eigen kookboekje met een eervolle vermelding voor de bedenker is er zelden nog bij.

Gelukkig schreven dames in vroeger eeuwen wel al die recepten op waardoor hun kookboeken niet alleen vol leuke recepten staan, maar ook een inkijkje geven in hun sociale kring. De aard van de relatie kan soms worden afgeleid van hoe iemand wordt aangeduid. Bij tante is dat eenvoudig, maar niet zelden moeten we het doen met het veel minder zeggende mevrouw. Zo kookte uw Archiefkok in het verleden al eens de macaroni van mevrouw Falck en de citroentaart van mevrouw Mostveld.

Bij het recept van vandaag zijn de banden tussen de bedenkers en de schrijfster van de recepten waarschijnlijk een stuk nauwer. Johanna van Lanschot-Fuchs (1833-1874) schreef op één bladzijde twee recepten voor aardbeiengelei en duidde haar bronnen aan met hun voornaam. De bovenste versie is van Silvie, de onderste van Amy. Twee namen die in negentiende-eeuws Nederland niet veel voorkwamen.

Zonder verder onderzoek te doen, kookte ik het recept van Silvie (nog even geduld, het staat hieronder) en liet dat van Amy links liggen. Een beginnersfout natuurlijk. Ik had eerst moeten kijken of er over de dames nog meer te vinden was in het archief van de familie Van Lanschot. Daarin bleek namelijk van Silvie geen spoortje te vinden terwijl Amy’s  brieven aan Johanna over de periode 1866-1873 allemaal bewaard zijn gebleven en een schat aan informatie bevatten.

Amelia Ridley Turing (1831-1906) was de dochter van de Engelse consul in Rotterdam James Henry Turing. Haar overgrootvader James had zich als koopman in Middelburg gevestigd en dat was het begin van vele generaties Turing in Nederland. Amy groeide op in Rotterdam en leerde daar Johanna kennen, de dochter van een Nederlandse moeder en een Duitse vader. De meisjes verkeerden in dezelfde sociale kringen en uit de grappige, in met Nederlands doorspekte, Engelse brieven blijkt dat de twee een hechte band hadden.

Na het huwelijk van Johanna met de Brabantse bankier Augustinus van Lanschot, loopt het leven van de jeugdvriendinnen echter ver uiteen. Johanna verhuist naar Den Bosch, krijgt twee zoontjes en vult haar dagen met de regie over het huiselijk bestaan en het sociale leven van haar man en haarzelf. Amy kampt met een zwakke gezondheid en blijft achter in haar ouderlijk huis aan de Boompjes. Ze woont daar met haar moeder (die overigens maar liefst 15 kinderen baarde) en haar sociale contacten bestaan vooral uit het bezoek van haar broers en zusters met hun kinderen.

Amy’s zwakke gezondheid weerhoudt haar er niet van 75 jaar te worden, een hele prestatie in die tijd. Johanna overlijdt echter jong, net 41. Uit de brieven van Amy blijkt dat ze de geboortes van haar kinderen maar moeilijk te boven kwam. Na de bevallingen moest ze lange periodes herstellen. Wellicht werd haar laatste zwangerschap, die in 1872 eindigde met een dood geboren kind, haar fataal.

Maar goed, Silvie dus. De naam is volgens het Meertens Instituut afkomstig van de heilige Silvia en die naam komt tot halverwege de negentiende eeuw helemaal niet in Nederland voor. Daarna eerst alleen in de zuidelijke Nederlanden. Helaas is nergens in de correspondentie,  Johanna’s kasboekjes (die trouwens nog een verhaal apart zijn, dat u nog van mij tegoed houdt) of de stamboom van Johanna een Silvie te vinden. De suggestie die ik kreeg dat Silvie wellicht een Frans keukenmeisje was, liep ook op niets uit. Nergens bij de betalingen aan het personeel (bij de nieuwjaarsfooien met naam genoemd) duikt een Silvie op. Haar identiteit blijft dus een raadsel.

Recept

Recept aardbeiengelei

De recepten van Silvie en Amy ontlopen elkaar niet erg. Volgens Johanna zijn bovendien beide recepten goed. Dus wanneer het verhaal van Amy u goed bevallen is, kunt u hier besluiten haar adviezen op te volgen en het onderstaande gedeeltelijk te negeren.

  • Kilo aardbeien
  • Pond suiker

Wie op internet zoekt naar recepten voor aardbeiengelei stuit op beduidend meer ingrediënten. Zo wordt vaak citroensap toegevoegd, fructose, gelatine of zelfs slagroom. Allemaal niet heel noodzakelijk. Zo gaat het namelijk ook.

Aan de slag

Ingredienten aardbeiengelei

Silvie’s recept vraagt om droge, ongewassen, aardbeien. Bij het wassen trekt er vocht in de aardbei en dat is funest bij het maken van de gelei. Veeg ze dus voorzichtig schoon met een doekje en verwijder de kroontjes met een mesje.

Doe de aardbeien in een pan en strooi de suiker erover. Het vocht in de aardbeien doet de suiker nu ‘smelten’. Dat duurt overigens wel een paar uur. Om het proces te versnellen, kunt u de pan in de koelkast zetten.

Zet, zodra de suiker gesmolten is, de pan op het vuur en breng aan de kook tot het schuimt. Draai daarna het vuur laag en laat de aardbeien een half uur koken. Na dat half uur vist u voorzichtig één voor één de aardbeien uit de pan (ze zijn echt nog heel!) en doet u ze in een mooie glazen schaal.

Het achtergebleven vocht kookt u nog een beetje verder in tot het dik genoeg is. U kunt testen of de gelei klaar is door een klein beetje op een bord te scheppen en uw vinger erdoor te halen. Wanneer de gelei terugloopt, moet het nog wat langer koken.

Laat de gelei afkoelen en giet daarna over de aardbeien in de schaal. Kijk er nog eens goed naar en wees trots dat u zo’n mooie jam heeft weten te produceren. Want dat is het namelijk: aardbeienjam. En best weinig ook, voor al dat werk.

Aan tafel

Aardbeidengelei

Uw Archiefkok had bedacht dat aardbeiengelei wel als een lekker toetje klonk en had, omdat er maar voor drie personen gekookt werd, ook gedacht dat een pond aardbeien wel genoeg zou zijn. Allebei niet helemaal waar. Aardbeiengelei is meer iets voor bovenop de taart of de boterham en van een pond aardbeien blijft er maar een heel klein beetje gelei over. De puddingvorm die ik had willen vullen, bleek dan ook veel te groot.

Maar een echte kok herkent u aan het improvisatievermogen. Ook van een debacle kan nog best iets te maken zijn. Schep de gelei in een paar mooie glazen, doe er wat verse aardbeien op en een takje munt (of toch die slagroom) en serveer met uw meest zelfverzekerde gezicht. Wedden dat uw gasten dan het woord jam niet in de mond durven nemen?

Links

Archiefstuk waaruit dit recept afkomstig is

Uitgebreide stamboom van de familie Turing

Herkomst van de naam Silvie

Op de Wikipedia pagina over de bankiers Van Lanschot, staat een afbeelding van het huis waar Johanna en Augustinus woonden

Filets de soles Honolulu

Wat we koken en eten is net zo gevoelig voor mode en trends als de kleding die we dragen. En net als de wereld van de grote modemerken, kent ook de culinaire wereld haar eigen Anna Wintours en Perez Hiltons. Denkt u bijvoorbeeld aan Ferran Adrià die met zijn experimentele keuken de hele wereld naar zijn restaurant El Bulli lokte. Vandaag de dag zijn het echter vooral gezondheidsgoeroes die de trends maken. Zij willen ons laten eten als onze voorouders en doen afwisselend het vet en de koolhydraat (of om preciezer te zijn: de gluut) in de ban.

Uit onderzoek bleek onlangs dat slechts een zeer kleine groep consumenten deze trends volgt. De meeste Nederlanders zetten ’s avonds om vijf uur nog gewoon de aardappels op tafel. Het paleodieet heeft daarmee nog lang niet de status van de skinny jeans bereikt. In het verleden zijn er echter wel degelijk trendsetters geweest die onze kijk op eten volledig hebben veranderd.

Auguste Escoffier, geboren in 1846 vlak buiten Nice, is misschien wel de bekendste. Op zijn dertiende begon hij als kok in het restaurant van zijn oom en hij schopte het tot chef van de keuken in het Londense Savoy waar hij de Engelsen wilde bekeren tot zijn variant van de Franse keuken. Deze variant was gebaseerd op de grande cuisine van Marie Antoine Carême, die wordt beschouwd als de eerste ‘celebrity chef’.

Escoffier versimpelde de zeer uitgebreide recepten van Carême en paste zijn vaak zware kost aan aan de moderne tijd. Ook introduceerde hij de keukens van andere landen in de Franse keuken (fusion cooking, nog zo’n trend) en codificeerde hij vijf basissauzen. Een aantal van de gerechten die Escoffier in het Savoy op de kaart zette, kennen we nog steeds. Zo stond hij aan de wieg van de Peche Melba, de Crêpes Suzette en de Poires Belle Hélène. Allemaal naar bekende dames vernoemde toetjes.

Naast deze zoetigheden was Escoffier ook de bedenker van Filets de Sole Véronique, tongrolletjes in een saus van druiven. Zo’n combinatie van vis en fruit is vandaag de dag op z’n zachtst gezegd omstreden, maar Escoffier bedacht er in zijn carrière meerdere van. Zo vinden we in zijn Engelse kookboek A Guide to Modern Cooking uit 1907 een recept voor Filets de soles Caprice: tongfilet met banaan. Dit gerecht zou in de jaren vijftig door de gebroeders Brinkmann in Haarlem weer verder zijn uitgewerkt tot de u misschien wel bekende Tongfilet Picasso, een kleurig palet van vis met gember en verschillende soorten fruit.

Maar de gebroeders Brinkmann waren in Nederland niet de eersten die experimenteerden met Escoffiers variaties. In het kookboekje van Johanna van der Linden vond ik een menukaart van een lunch in het Palace Hotel in Scheveningen in 1919 waarop Soles aux Bananes prijken. Dat is ruim twaalf jaar voordat Escoffier zijn recept hiervoor publiceerde. Achter het menu bevindt zich een recept voor Filets des Soles Honolulu dat op dezelfde schrijfmachine lijkt te zijn getypt.

Menukaart

Vandaag de dag is er over dit zogenaamd Hawaiiaanse gerecht helemaal niets meer te vinden. Niemand, maar dan ook werkelijk niemand eet dit ooit nog. Jammer voor de chef van het Palace Hotel, want hij hoopte destijds vast een grote trend te zetten. Gelukkig had hij één troost: Johanna wilde het recept wel hebben. Dankzij haar kunnen we de goede man nu nogmaals troosten, want bijna honderd jaar na dato gaan wij zijn creatie proeven.

Recept

Filets de soles honolulu

Voor vier personen heeft u nodig:

  • Filets van twee dikke zeetongen (een tong levert vier kleine filets)
  • Melk
  • Bloem
  • Roomboter
  • Twee bananen
  • Twee sinaasappels
  • Citroen
  • Gehakte peterselie

Tongfilet is aardig aan de prijs en ook niet bij elke viskraam te koop. Zoek dus een goede visboer uit of bestel van te voren. Het laten fileren kunt u het beste aan de vakman overlaten. Die kiest de dikste exemplaren voor u uit, waar nog goede filet van af te snijden is. Zeetong is het hele jaar verkrijgbaar, maar op z’n best in de periode van juni tot en met januari.

Aan de slag

Filets de Soles ingredienten

Dit gerecht is in een paar minuten klaar en moet meteen geserveerd worden. Zorg dus dat alle ingrediënten klaar staan en dat u ook alle bijgerechten klaar hebt.

Laat de vis op kamertemperatuur komen. Pers de citroen uit en hak de peterselie fijn.

Snij de boven- en de onderkant van de sinaasappels en snij daarna met een scherp mesje de schil en het wit er rondom van boven naar beneden af. Gebruik daarna een klein geribbeld mesje om de partjes uit de schil te snijden. Oefening baart hier kunst, dus als u gasten krijgt kunt u dit beter al een paar keer geprobeerd hebben.

Zet een pan met water op het vuur en leg daarop een bord. Hierop kunt u de eerste gebakken filets warm houden terwijl u de laatste bakt. Zet twee diepe borden klaar en giet de melk in het ene bord en doe de bloem in het andere. Snij de bananen in plakjes.

Verwarm een flinke klont roomboter (moest in dit geval ook van de visboer!), haal de filets eerst door de melk, dan door de bloem en bak ze per twee in de koekenpan gaar. Twee minuten per kant moet genoeg zijn. Wanneer de pan te droog wordt, kunt u tussendoor nog wat boter toevoegen.

Wanneer alle filets zijn gebakken, doet u nog een klont boter in de koekenpan en bakt u de plakjes banaan twee minuten in de boter.

Om te serveren legt u op elk bord twee filets met daarover wat citroensap, de gebakken banaan, een paar partjes sinaasappel (moffel de mislukte onderop weg) en bestrooi daarna royaal met peterselie. En dan meteen opeten!

Aan tafel

filets de soles H

De jury die de dit gerecht te eten kreeg, had een zware avond. Het voorgerecht was het avontuurlijkste wat uw Archiefkok ooit heeft gemaakt (het verslag volgt nog) en het toetje had nog het meest weg van behangplaksel met kaneelsmaak (dat verslag zal ik u besparen, het commentaar van de jury bevatte onder andere het woord metselen). Gelukkig was de jury bijzonder sportief en werd werkelijk alles geproefd en opgegeten. Oók de vis met banaan.

Met beide ingrediënten had de jury ook eigenlijk maar weinig moeite. Apárt wel te verstaan. Tongfilet is hele lekkere vis en met in roomboter gebakken banaan is ook weinig mis. Zodra ze samen worden gegeten, gebeurt er echter iets raars. Ze halen elkaars smaak volledig weg. Van die heerlijke vis is niets meer te proeven en ook van de zoete smaak van de banaan blijft weinig over. Heel erg zonde en wellicht een duidelijke verklaring waarom we vandaag de dag in Scheveningen liever een gebakken sliptongetje eten dan Filets des Soles Honolulu. Hoe exotisch het ook klinkt.

Maar twee weken later gloorde er toch nog even hoop voor de kok van het Palace Hotel. Twee van de juryleden deden zich op een Haags terras tegoed aan wat sliptong en waren daarna zo vriendelijk de Archiefkok te laten weten dat (los van al dat fruit) haar zeetong een stuk lekkerder was geweest. Waarschijnlijk heb ik dat te danken aan de royaal gebruikte roomboter, maar ik draag dit complimentje graag op aan de kok van het Palace Hotel. Wie het ook is geweest.

Links

Archiefstuk waaruit dit recept afkomstig is

Afbeeldingen van het Palace Hotel

Wiki over Escoffier

A guide to modern cookery (met heel veel tongrecepten)

Vermakelijke discussie uit 2009 over de herkomst van de Tong Picasso op Foodlog

Leestip: Cooking voor Kings, over het leven en werk van Antonin Carême

Gevulde kalfsborst uit Bergeijk

De meeste Nederlanders eten zelden tot nooit kalfsvlees. Ook uw Archiefkok niet. Daarvoor staan de beelden van kistkalveren die we in de vroege jaren negentig dagelijks kregen voorgeschoteld, nog te diep in mijn geheugen gegrift. Kleine afgetimmerde hokjes zonder stro en dieren die van bloedarmoede niet op hun benen konden blijven staan. Het ijzer werd ze expres onthouden om het vlees zo wit mogelijk te houden.

Hoewel er op dit gebied al het één en ander is veranderd, met als belangrijkste wijziging het Kalverenbesluit van 1994, wordt het meeste Nederlandse kalfsvlees nu geëxporteerd. Zo verwerken de Italianen het graag in hun klassieke vitello tonato, kalfsvlees met tonijnsaus. De Nederlandse klassiekers met kalfsvlees zijn bijna allemaal vergeten. Maar ze bestonden ooit wel.

In de grote index die uw Archiefkok op haar gevonden recepten heeft gemaakt, wemelt het van de kalfsvleesrecepten. Sommige daarvan zouden u en ik vandaag ook best eens kunnen tegenkomen, zoals kalfslapjes, ragout van kalfsvlees en kalfskoteletten, maar er zit ook heel wat minder gangbaar spul tussen. Wat denkt u van gestoofde kalfstong, kalfspoot in gelei, gebakken kalfslever of een in zijn geheel bereidde kalfskop? Nee, liever niet?

Een familie waar de kalveren in de negentiende eeuw niet aan te slepen waren, is de Brabantse familie Raupp. Nu hoor ik u meteen twijfelen aan die Brabantse afkomst, want Raupp klinkt nu niet echt als een oude Brabantse naam. Maar dan heeft u toch ongelijk want de Raupps zijn zeker echte Brabanders, zij het dan uit de tijd dat Brabant tot de Oostenrijkse Nederlanden behoorden.

Van 1715 tot 1795 stonden de zuidelijke Nederlanden onder bestuur van de Oostenrijkse tak van de Habsburgers, een vorstelijk geslacht dat vanaf de vijftiende tot de twintigste eeuw over grote delen van Europa heeft geregeerd. De laatste keizer gaf er in 1918 de brui aan, maar zijn familie deed er wat langer over. Het is niet makkelijk om zes eeuwen heerschappij gedag te zeggen. Otto van Habsburg-Lotharingen, kleinzoon van de laatste keizer, deed daarom pas in 1961 officieel afstand van zijn rechten op de troon.

Deze Habsburgers kregen in 1715, na de Spaanse Successieoorlogen, de zuidelijke Nederlanden onder hun bewind om zo een buffer te creëren tussen de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en Frankrijk. Dat was grotendeels een wens van de jonge Republiek zelf, die het wel even een tijdje zonder oorlog wilde stellen. Lang duurde de vrede echter niet want in 1740 trokken de Fransen juist ten strijde tegen Oostenrijk in de zogenaamde Oostenrijkse Successieoorlogen. Daarbij werden ook delen van  de zuidelijke Nederlanden bezet.

Het Oostenrijkse leger trok naar Brabant om de Fransen af te slaan en in hun gelederen bevond zich Friedrich Gottfried Jacob Raupp, een legerarts die zich net als zijn vader keizerlijk chirurgijn mocht noemen. Raupp vestigde zich met zijn vrouw en zoon in Bergeijk en zou er nooit meer weggaan. Met zijn eerste vrouw kreeg hij nog vier kinderen en met zijn tweede nog zes. Hiermee legde hij de basis voor de familie Raupp in Nederland die, tot op de dag van vandaag,  tot elke generatie meerdere artsen mag rekenen.

Naamloos

In 1847 vierde Godefridus Raupp, een zoon van Friedrich uit zijn tweede huwelijk, zijn vijftigjarig artsenjubileum in Bergeijk. Zijn echtgenote Anna maakte het helaas niet meer mee. Zij was drie jaar eerder overleden na een huwelijk van zesendertig jaar dat, getuige enige gedichten in het archief van de familie, bijzonder gelukkig moet zijn geweest. Gelukkig kon Godefridus zich wel verheugen in de aanwezigheid van zijn zes nog levende kinderen.

Wat er die dag op tafel stond heb ik helaas niet kunnen achterhalen, maar uit Anna’s kookboek blijkt dat kalfsvlees, en dan vooral gevulde kalfsborst, in de familie favoriet was. Anna varieerde daarbij met maar liefst vijf soorten vullingen. Vandaag proberen we er eentje uit.

Recept

recept kalfsborst

  • Kalfsborst van een kilo
  • 150 gram fricadellevlees (rundergehakt)
  • 2 sjalotten
  • 3 theelepels marjolein
  • 3 theelepels vers geraspte nootmuskaat
  • 4 a 5 sneden wittebrood zonder korst
  • 2 eieren
  • Schil van een halve citroen
  • Roomboter
  • Naald en kooktouw of cocktailprikkers

Voor de saus:

  • Runderbouillon
  • Witte wijn
  • Bloem
  • Schijfje citroen

De meeste slagers zullen kalfsborst niet op voorraad hebben. Het is dus raadzaam deze van te voren te bestellen. Let erop dat het vlees roze van kleur is en niet wit. Hoe lichter het vlees, hoe zieliger het kalf. Vraag de slager meteen de borst vast voor u in te snijden, dat maakt het vullen een stuk simpeler. Zoals u wellicht al is opgevallen, wordt er in het recept niet gerept van peper of zout. Alle smaak moet van de vulling komen, waarin nootmuskaat,  meijeraen (na even puzzelen blijkt dat marjolein te zijn) en citroenschil de hoofdrol spelen.

Aan de slag

Ingredienten kalfsborst

Klop de eieren, laat het brood erin weken en voeg dit daarna toe aan het vlees. Voeg de fijngehakte sjalotten toe, de kruiden en de citroenschil en kneed goed door elkaar. Als het gehakt te vochtig blijft, kan nog wat brood worden toegevoegd.

Vul de kalfsborst met het gehakt en zorg dat de vulling goed verdeeld is. Naai daarna de opening dicht door met een scherp smal mes gaatjes te prikken en daar het kooktouw doorheen te duwen. Wie succesvol is, voelt zich net dokter Raupp. Wanneer de borst echt goed vol zit, kan het geen kwaad deze als een rollade nog een paar keer met kooktouw te omwikkelen. Lukt het niet met de gaatjes? Dan kunnen een paar cocktailprikkers uitkomst bieden.

Het recept geeft twee opties: braden of stoven. Ik heb voor het eerste gekozen en de ingrediënten voor het stoven gebruikt om aan een eind een mooie saus te maken. Verwarm hiervoor de oven voor op 160 graden.

Doe een flink stuk roomboter in een braadpan, laat dat goed warm worden, en braad de borst aan alle kanten krokant bruin. Zet daarna het vlees in de pan, zonder deksel, in de oven. Een stuk vlees van een kleine kilo is dan in een uur en drie kwartier perfect gaar. Draai het vlees tussendoor een keertje of twee om en schep af en toe wat braadvet over de bovenkant van het vlees. Wordt het droog? Voeg dan zonder schuldgevoel meer boter toe.

Laat het vlees na het braden even rusten onder een stuk aluminiumfolie. Zet de pan weer op het vuur en voeg een flinke scheut runderbouillon, een glas witte wijn en een schijfje citroen toe aan het braadvet. Doe wat bloem in een schaaltje, voeg wat van de saus toe en roer tot een glad papje. Voeg dat papje weer toe aan de saus en roer flink door. Snij het vlees in plakken (laat het touw erom zitten, dan blijven vlees en vulling beter bij elkaar) en accepteer de complimenten. Serveer met geroosterde aardappels en boontjes en vergeet de saus niet!

Aan tafel

Gevulde kalfsborst

Deze kalfsborst was het eerste archiefrecept dat uw Archiefkok in lange tijd op tafel zette en de jury was unaniem: ze was het nog niet verleerd. Het vlees en de vulling waren perfect gaar en heerlijk sappig. Peper en zout waren voor de zekerheid op tafel gezet, maar bleken totaal niet nodig. De smaak van de vulling was in het vlees getrokken en de bouillon in de saus was zout genoeg. Die saus was overigens één van de beste sauzen die uw Archiefkok ooit heeft opgeleverd. Kortom, mijn eerste keer kalfsvlees is helemaal niet slecht bevallen en er komt binnenkort een tweede keer. Maar voor die tweede keer zal ik u vast waarschuwen, dan gebruiken we een veel minder conventioneel stuk vlees.

Links

Kookboekje van Godefridus Raupp (of waarschijnlijk van zijn echtgenote) in het BHIC

Kalverenbesluit van 1994

Wiki over de Oostenrijkse Nederlanden

Dokter Rauppstraat in Bergeijk

Leidse schurftenhoofden

Bestaat er een koekje dat meer uitnodigt tot het leegeten van het hele pak dan de kletskop? De knapperigheid, gecombineerd met de zoete maar licht pittige smaak, maakt dit koekje bij velen favoriet. Alleen is dat flinterdunne schijfje ieder keer veel te snel verdwenen. En dan is de hand zo weer onderweg naar de trommel totdat opeens, onverwacht, de bodem al bereikt blijkt. Uw Archiefkok schaft ze uit zelfbescherming niet meer aan.

Als kind zal menigeen zich hebben afgevraagd waar de naam van de kletskop eigenlijk vandaan komt. Zijn het koekjes voor kletskousen, heeft de naam met de bereidingswijze te maken (op Wikipedia wordt beweerd dat de koekjes worden plat gekletst met een natte lepel) of zou het iets te maken hebben met het krijgen van een klets voor je kop? Niets van dit alles is waar, de prachtige site van het bakkerijmuseum geeft ons het antwoord.

De kletskop, tot de twintigste eeuw beter bekend als de kleskop, heeft zijn oorsprong in Leiden. Daar werd in de zestiende eeuw een koekje gebakken dat officieel een kanteling heette, maar in de volksmond bekend stond als een schurftenhoofd. In de arme wijken van de stad tierde de schurft welig en menig baby kwam met korsten op het hoofd ter wereld. De vergelijking tussen die aangetaste hoofdjes en het onregelmatige oppervlak van het ronde koekje, was snel gemaakt.

De schuftenhoofden waren in Leiden ongekend populair en werden gezien als echte Leidse specialiteit. Alle gezellen in het bakkersgilde moesten ze bakken als hun meesterstuk. Maar helaas voor Leiden zijn er ook enkele Belgische steden die de uitvinding van de kletskop claimen. Deze strijd lijkt echter in het voordeel van Leiden beslist te worden en wel dankzij een uit Antwerpen gevluchte drukker. Toen Zacharias Heyns (1566-1630) Leiden aandeed, schreef hij een klein gedichtje over de schroftenhoofden dat er mee eindigt dat u nog nooit betere kost heeft gegeten dan dat. Dat bewijst in ieder geval dat hij deze koekjes in België nog nooit gegeten had.

Hoe komt het dan dat we deze koekjes nu kennen onder de naam kletskop? Omdat kletskop later synoniem werd voor een zeer hoofd en om precies te zijn voor de ziekte favus. Dit is een schimmelinfectie aan het hoofd die kaalheid kan veroorzaken en lijkt op de schurfthoofdjes uit de zestiende eeuw . Uw Archiefkok raadt u aan dat van haar aan te nemen. Die plaatjes wilt u zelf niet vergelijken. De kanteling werd officieel een kletskop en omdat de koekjes zó aan de stad waren verbonden kregen de Leidenaren de bijnaam kletskoppen. Niet echt compliment voor wie de achtergrond kent.

In de negentiende eeuw was het Leidse er wel vanaf. Gezien de advertenties in de kranten uit die tijd verkocht elke zichzelf respecterende bakker in Nederland en Nederlands Indië toen kletskoppen. Dit recept komt van Balthazar Reeser die eind negentiende eeuw in Haarlem de bakkerij van zijn vader Gerard overnam. Hij bekwaamde zich ook als kok en deed zulke goede zaken in zijn delicatessenzaak in de Koningstraat dat hij daarnaast een filiaal in Bloemendaal kon openen. Koek en gebak bleven altijd een belangrijk onderdeel van de firma. In zijn receptenboek vinden we zowel kleskoppen als kletsenkoppen. De eerste leveren een soort zandgebak op, maar de tweede díe moeten we hebben.

Recept

Kletsen koppen recept

Reesers recept is duidelijk voor de winkel. Hiermee bakt u met gemak een kleine 100 kletsenkoppen. Tenzij u veertien kleinkinderen en heel veel tijd heeft, kunt u dus het beste net als ik de ingrediënten door drie delen en hiermee aan de slag gaan:

  • 16 lood suiker (240 gram)
  • 6 lood bloem (90 gram)
  • 4 lood boter (60 gram)
  • 8 lood amandelen (120 gram)
  • Kaneel (1 theelepel)
  • Nootmuskaat (1 theelepel, zelf raspen)
  • Melk (1 a 2 eetlepels)

De nootmuskaat is een vreemd eend in de bijt. Deze specerij heb ik nog nooit in een recept voor kletskoppen aangetroffen. Reeser hield blijkbaar van variatie, al pakte dat niet altijd goed uit. In het recept is het ingrediënt sucade weer weggestreept met daaronder de tekst Niet Goed.

Aan de slag

Ingredienten kletsenkoppen

Reesers kookboek staat vol met de heerlijkste recepten, maar helaas altijd zonder bereidingswijze. Hij geeft ons alleen de ingrediënten en hoeveelheden. De bereidingswijzen zullen in zijn hoofd gezeten hebben. Nu zijn er voor kletskoppen twee scholen, waarbij de één de boter smelt en dan alles mengt en de andere niet gesmolten zachte boter gebruikt. Die eerste methode werkt vooral goed als er verder geen vocht wordt toegevoegd. Reeser schrijft echter een beetje melk voor, dus gebruiken we gewone zachte boter.

Verwarm de over voor op 200 graden en bekleed een bakplaat met bakpapier.

Hak de amandelen in kleine stukjes. Dat kan met de keukenmachine, maar pas op dat het geen poeder wordt. We willen crunch! Meng de suiker, bloem, boter, amandelen, kaneel en nootmuskaat door elkaar en voeg twee tot drie eetlepels melk toe. Het deeg moet een beetje vochtig zijn. Gebruik altijd een lepel voor de melk, als u uitschiet kunt u opnieuw beginnen (sprak de ervaringsdeskundige).

Rol kleine balletjes van het deeg en leg deze met ruime afstand van elkaar op de bakplaat. De koekjes lopen uit en u wilt uiteraard niet eindigen met één grote kletskop. Om te voorkomen dat de buitenste raden zwart worden terwijl het binnenste nog wit is, drukt u de bolletjes een beetje plat met de achterkant van een natte lepel (mag met de Wikipedia-klets).

Bak de koekjes tot ze goudbruin zijn, dat duurt ongeveer zeven minuten. Blijf in de buurt, want de grens tussen goudbruin en iets té goudbruin is snel overschreden.

Laat de koekjes twee minuutjes op de plaat afkoelen en haal ze dan met een plaatmes van de bakplaat. Laat ze liggend verder afkoelen tot ze hard en knapperig zijn. In de koektrommel zijn ze een paar dagen te bewaren, maar wedden dat ze dat niet halen? De Archiefkok bakte deze koekjes voor twee jury´s en die wisten allebei in luttele minuten de trommel tot de bodem leeg te eten. En die nootmuskaat? Die proef je jammer genoeg nauwelijks. Bij de volgende ronde misschien een beetje meer toevoegen…

Kletskoppen

Links

Receptenboek van Balthasar Jan Reeser in het Noord Hollands Archief

Het puntdicht van Heyns (en de rest van dit verhaal) op de site van het bakkerijmuseum

Wiki over Favus (voor de liefhebber)

Ciroop van citroenen

De moderne mens heeft het maar zwaar. Er moet geworden gewerkt, het huishouden moet worden gedaan, kinderen opgevoed, het sociale leven op peil gehouden en natuurlijk moet u ook nog die film zien, dat boek lezen, dat nieuwe restaurant uitproberen, uw Facebook status bijhouden en naar het museum voordat die ene prachtige tentoonstelling sluit. Genoeg stress om af en toe eens te verzuchten dat het vroeger toch allemaal stukken beter was.

Uw Archiefkok maakt zich hier ook wel eens aan schuldig. Zeker wanneer de afwas zich opstapelt en de deadlines voor papers en opdrachten beginnen te naderen. Maar op die momenten mag ik graag even door mijn verzamelde archiefrecepten bladeren (hoezo studie-ontwijkend gedrag?) en concluderen dat wij het eigenlijk maar makkelijk hebben. Alles wat we nodig hebben, is immers te koop en hoeft niet door onszelf te worden gemaakt.

Wie een kleine tweehonderd jaar geleden geboren werd, hoefde dan wel niks met Facebook of een tentoonstelling, maar had waarschijnlijk geen moment vrij. Kleren moesten worden gemaakt, versteld, met de hand gewassen en gedroogd. Groenten en fruit moesten worden ingemaakt om ze langer dan een paar dagen te kunnen bewaren en soms zelfs zelf worden geteeld. De apotheek bestond nog niet. Wie hoofd- of buikpijn had, moest zelf middeltjes fabriceren om die pijn te verlichten. En dan heb ik het nog niet eens over echte ziektes. Dan kwam er iemand met bloedzuigers langs (of kreeg u sap van peerdendreck te drinken, zoals uw Archiefkok onlangs vond in een recept voor een medicijn tegen de pleuris).

Huishouden was ook bepaald geen pretje. Geen afwasmachine, geen wasmachine, geen stofzuiger, geen handige spray voor alle oppervlakken. Bovendien werd u geacht uw gordijnen te zwavelen (als u wilt weten hoe, kan ik u de aanwijzingen sturen), vlekken uit de tafel, de vloer en uw kinderen te poetsen zonder stromend water of elektriciteit, uw handschoenen te verven (met verf die u eerst zelfgemaakt had) en uw maaltijden te bereiden op een rokende kachel.

En het mooiste komt nog: de mensen die ruim honderd jaar geleden leefden, vonden het leven ook al veel te druk. De komst van de trein, straatverlichting, de radio, de eerste warenhuizen waar kant en klaar gekocht kon worden, de wereldtentoonstellingen, de opkomst van het toerisme, allemaal vernieuwingen die onze voorouders deden verzuchten dat het vroeger toch allemaal een stuk simpeler en rustiger was. Nostalgie is van alle tijden.

Nu weet u dit natuurlijk allemaal al lang. En bent u heus ook wel blij dat u vandaag leeft en niet in de met zwarte roet bedekte tijden van de industriële revolutie. Want laten we eerlijk zijn, waarschijnlijk hadden u en ik dan in de vuile achterafsteegjes gewoond en niet in de grote huizen aan het plein. Maar af en toe realiseer ik het me weer eens extra. Bijvoorbeeld wanneer ik een recept vind voor limonade en me bedenk dat, behalve melk, wijn en bier, er vroeger geen drinken te koop was. Wie iets zoets wilde drinken, moest het zelf maken. En daar zal in die steegjes geen geld of tijd voor zijn geweest.

Recept

Recept citroensiroop

In het receptenboek Tot smullen uitgedagh van Maarten, baron van der Goes, heer van Dirxland, staan twee recepten voor citroenlimonade. Voor het eerste van die recepten heeft men 45 citroenen nodig, maar zo veel bleken ze bij mijn plaatselijke Plus niet op voorraad te hebben. Gelukkig was er nog een recept waar geen aantal werd voorgeschreven, alleen de verhouding sap tot suiker. U kunt dus net zo veel limonade maken als u zelf wilt. Voor het onderstaande recept zijn acht rijpe citroenen gebruikt.

  • Sap van citroenen: 500 gram
  • Suiker: 500 gram
  • Geraspte schil van de citroenen

Aan de slag

ingredienten citroenlimonade

Rasp de schil van de citroenen en zet deze apart. Pers de citroenen vervolgens uit en weeg het sap. Neem vervolgens precies zoveel suiker als u sap heeft.

Doe het sap en de suiker in een pan en laat de suiker op laag vuur al roerend oplossen. Laat het mengsel dan op hoog vuur even kort flink schuimend koken. Niet langer dan een paar minuten, anders wordt de siroop te dik.

Haal de pan van het vuur en laat de citroensiroop afkoelen. Wanneer u geen velletjes in uw siroop wilt, kunt u deze even zeven door een schone theedoek. Doe daarna de citroenrasp in een zeef en druk boven de siroop de olie uit de schil.

Giet de siroop in een mooie glazen fles en draai de dop erop. Bewaar de siroop in de koelkast en u heeft genoeg voor zeker vijftien glazen frisse limonade.

Proeven

Citroenlimo

Op het moment van schrijven is uw Archiefkok al toe aan haar derde fles citroenlimonade. De eerste fles kwam in de zomer op tafel en dat is natuurlijk ook het beste tijd van het jaar om gekoelde, frisse limonade te drinken. De jury was erg over het drankje te spreken en waande zich weer kind. Jeugdherinneringen aan lang (soms erg lang) vervlogen tijden kwamen boven (vroeger was alles beter) omdat dit de limonade is die we als kind allemaal nog hebben gedronken.

Het grote verschil tussen deze limonade en de siroop die je nu in de winkel koopt, wordt gemaakt door die paar kleine drupjes olie uit de schil. Die geven een licht vettige smaak die de limonade extra lekker maakt. Met een half uurtje werk heeft u zo altijd iets lekkers te drinken in huis. Aangelengd met water uiteraard, al is een scheutje bij gin of rum ook niet vervelend.

Links

Archiefstuk waaruit dit recept afkomstig is

Wiki over Maarten van der Goes van Dirxland

Een boek vol huishoudtips (of beter gezegd: dwingende voorschriften) uit 1925

Wortelgelei

Ligt u ´s nachts wel eens wakker van uw positie ten opzichte van het zeeniveau? Een kleine doorbraak van dijk of duinen vrezend met uw noodpakket en opblaasboot binnen handbereik? Met in uw hoofd die animatie uit een Inconvenient Truth waarin het water zich binnen luttele seconden over ons hele land verspreidt?

Waarschijnlijk niet. De meesten van ons kunnen maanden vooruit zonder ook maar één keer stil te staan bij de betekenis van het NAP. Pas wanneer rivieren dreigen te overstromen en de zandzakken moeten worden gevuld of het springtij gepaard gaat met zulke harde wind dat de Oosterscheldekering moet worden gesloten, hebben we weer even door hoe het zit.

Dat wij ons zo veilig voelen in onze polders hebben we te danken aan een lange reeks ingenieuze maatregelen die onze voeten droog houden. Molens die de polders hebben drooggemalen, dijken en uiterwaarden die de rivieren in toom houden, duinen en stormkeringen die ons beschermen tegen de zee. Maar al die maatregelen vergen wel veel onderhoud.

Cornelis Lely (1854-1929), waterbouwkundige en Minister van Waterstaat, was van mening dat Nederland veel te veel kust had om die overal effectief te kunnen beschermen. Eén niet goed onderhouden dijk kan immers al voor een grote overstroming zorgen. Zijn oplossing was simpel: verkort de kustlijn. Om te beginnen door de Zuiderzee in te polderen.

Lely was niet de eerste met dit plan. In 1667 had Hendrik Stevin het al geopperd. Niet het idee om de zee in te polderen tot land, maar wel om dijken aan te leggen en daarmee ‘het gewelt en vergif der Noortzee uytter Verenigt Nederlant te verdrijven’. Die harde taal bezigde hij niet zomaar. De Zuiderzee overstroomde regelmatig en eiste daarbij menig slachtoffer. Stevins plan was echter ambitieuzer dan de beschikbare technieken.

Het geweld van de zee hield aan en in 1825 vond er een zo hevige overstroming plaats dat het hele eiland Schokland onder water kwam te staan. De bewoners moesten zich redden door op zolder de storm uit te zitten. Twintig huizen spoelden weg en van de 650 inwoners kwamen er 13 om het leven. Geen wonder dat er meteen weer nieuwe plannen tot afsluiting werden bedacht. Ditmaal met een extra ambitie: het inpolderen van het IJ.

Gedurende de tweede helft van de negentiende eeuw zouden verschillende plannen worden opgesteld maar geen ervan leek het te gaan halen. Het project was zo groot en ambitieus dat men twijfelde aan de haalbaarheid. Om die voor eens en altijd te onderzoeken werd in 1886 de Zuiderzeevereniging opgericht. Aan het hoofd van het onderzoek stond de jonge waterbouwkundige ingenieur Cornelis Lely. Hij maakte een nieuw plan dat zo haalbaar was dat een Staatscommissie in 1892 de regering adviseerde het plan Lely tot uitvoer te brengen.

Er was echter ook veel weerstand tegen het plan, vooral in de vissersdorpen rondom de Zuiderzee. Deze was zo groot dat de Wet op de Afsluiting van de Zuiderzee uiteindelijk pas in 1918 werd aangenomen. Lely was in die tijd zelf Minister van Waterstaat maar het was de watersnoodramp van 1916 die de doorslag gaf. Daarbij verdronken 19 mensen op het land en 32 op zee. De werkzaamheden begonnen in 1920 en werden in 1976 afgerond met de aanleg van de Houtribdijk, waarmee de Markerwaard zou worden ingepolderd. Dat vond uiteindelijk nooit plaats. De sluiting van de Afsluitdijk in 1932 maakte Lely zelf niet meer mee.

Recept

Wortelgelei recept

In het archief van de familie Lely is het kookboekje van de moeder van Cornelis, Adriana Maria van Houten, bewaard gebleven. Het bevat veel recepten voor inmaken, konfijten en pudding. Er staan helaas nergens aantekeningen bij zodat we niet weten wat er wel en niet bij de jonge Cornelis in de smaak viel. Deze wortelgelei trok mijn aandacht door het specifieke voorschrift dat er Hoornsche wortelen voor gebruikt moeten worden. Deze waren mij onbekend.

Hoornsche wortelen blijken de eerste oranje wortelen geweest te zijn. Volgens de legende gekweekt om steun te betuigen aan het huis van Oranje. Helaas heeft de kweker ervan ons geen archief nagelaten waarin we dat kunnen controleren maar zeker is wel dat oranje wortelen vooral in Nederland werden gekweekt. Deze wortelen verdrongen de oorspronkelijke paarse en gele wortels van de markt die we nu in de sectie Vergeten Groenten weer zien opduiken.

  • Oranje wortels of winterpeen: 500 gram
  • Suiker: 500 gram
  • Citroenen: 12
  • Water: een bierglas (altijd lastig, kan alles zijn tussen 250 en 600 ml, ik heb 300 ml gebruikt)
  • Puddingvorm met koud water omgespoeld

Aan de slag

ingredienten gelei

Rasp de schil van de citroenen en pers ze uit. Rasp vervolgens de wortels. Volgens het recept alleen de buitenkant, wat doet vermoeden dat de harde binnenkant van de Hoornsche wortel niet goed eetbaar was. Gelukkig is dat met de hedendaagse peen anders en kunt u die in zijn geheel door de keukenmachine duwen.

Breng in een pan alle ingrediënten samen aan de kook en laat daarna zeker een uur op laag vuur inkoken.

Giet de massa daarna in een koud afgespoelde puddingvorm en laat afkoelen.

De suiker en het sap van de citroen werken op elkaar in en vormen zo de gelei. Dat chemische proces gaat echter niet altijd goed. Bij uw Archiefkok wilde de massa na meer dan een uur koken nog steeds geen gelei worden. Ook na een nacht in de koelkast, was de gelei nog veel te vloeibaar. Uiteindelijk heb ik daarom een beetje vals gespeeld, de massa weer aan de kook gebracht en drie geweekte blaadjes gelatine toegevoegd. Ik had zo’n vermoeden dat de smaak van de gelei een volledig nieuwe poging namelijk niet zou rechtvaardigen.

Aan tafel

Wortelgelei resultaat

De gelatine deed zijn werk en wat er uiteindelijk uit de puddingvorm kwam, zou op geen enkele vroeg negentiende-eeuwse dinertafel hebben misstaan. Het was destijds de gewoonte om alle gerechten tegelijk op tafel te zetten in plaats van in gangen te serveren. Daarbij was het vooral belangrijk dat het eten er mooi uitzag. En dat doet deze oranje gelei zeker.

Wie gaat proeven komt tot de ontdekking dat de wortelen echt alleen voor de kleur worden toegevoegd. De suiker en de citroen hebben de smaak van de wortels volledig verdreven. Wat overblijft is iets zoetzurigs dat niet onplezierig smaakt. De meeste juryleden vonden de gelei zelfs erg lekker. De meesten vonden het echter geen gerecht dat op zichzelf zou moeten staan. Sommigen zagen een combinatie met kaas wel zitten terwijl anderen het meer in de zoete hoek bij de merengue zochten.

Uw Archiefkok heeft hierover geen mening. Die is namelijk niet zo’n fan van deze gelei en baalt vooral dat ze bij publicatie van dit blog nog steeds geen leuke grap heeft kunnen verzinnen over Cornelis en het tot gelei maken van water. Dat moet hem toch hebben aangesproken…

Links

Archiefstuk waaruit dit recept afkomstig is 

Reken uit hoe ver u onder of boven het NAP wooont 

Wiki over de Zuiderzeewerken

Meer over de geschiedenis van de Hoornsche wortel 

Hippocras

Tussen de vele recepten waar uw Archiefkok wekelijks  in neust, bevinden zich ook allerlei aantekeningen van huishoudelijke aard. Boodschappenlijstjes, tafelschikkingen, aanwijzingen voor het verven van handschoenen en japonnen en af en toe een kindertekening of een handschriftoefening. De interesse van  Petronella Heijligers, sinds 1806 de echtgenote van koopman Adrianus van der Linden, ging echter verder dan alleen het huishouden.

Tussen de 700 pagina’s recepten die ze ons heeft nagelaten, bevinden zich allerlei pagina’s met weetjes. Soms overgeschreven uit een boek, soms uit het niets zonder enige bron. Petronella’s belangstelling ging vooral uit naar andere (eet)culturen. Ze las de verslagen van ontdekkingsreizigers en noteerde voor zichzelf dat een volk aan de oevers van de Orinoco aarde at, dat men er in grote delen van Zuid Amerika de Spaanse wijze van serveren (in gangen, nu á la Russe genoemd) op na hield, dat men op de Sandwicheilanden honden op het menu zette en wat men in Lapland in plaats van zout gebruikte (verbrande schors van pijnbomen).

Eén aantekening trok de aandacht van uw Archiefkok in het bijzonder: die over Ipocras. Petronella schrijft dat het sinds de bruiloft van Filips I Graaf van Holland (nu beter bekend als Filips de Goede), waarvan de pracht meer dan koninklijk was, in zwang is gekomen deze drank bij bruiloften te schenken. Een recept geeft ze echter niet, noch een aanwijzing om welk huwelijk het gaat. Filips trouwde namelijk drie keer.

Ipocras, ook wel bekend als ypocras, hipocras of hippocras, is een wijn waarvan de smaak met kruiden is versterkt. Waar deze drank precies vandaan kom, blijkt moeilijk vast te stellen. Dat de drank vernoemd is naar de Griekse arts Hippocrates staat wel vast, maar de eerste recepten stammen uit de late veertiende eeuw, ruim 1800 jaar na de dood van de beste man.

Vóór de hippocras kende men al wel de piment, ook een gekruide wijn die genoemd is naar het Latijnse woord pigmentum dat zoiets als specerij betekent. Een dergelijke gekruide wijn wordt al genoemd in het kookboek van Apicius uit de vierde eeuw. Het werd veel gebruikt als medicijn, onder andere omdat het spijsvertering zou helpen. Men vermoedt dat deze piment door latere artsen hippocras is genoemd. Bij het verschijnen van dat woord, verdwijnt het woord piment namelijk uit de geschriften.

De huwelijken van Filips (1409, 1424 en 1430) vonden dus plaats vlak nadat de hipppocras was ‘uitgevonden’. Hij zette met het serveren ervan echt een traditie want vanaf dat moment komen we de drank inderdaad overal tegen bij bruiloften. In 1626 werd het bijvoorbeeld geserveerd op de bruiloft van de wetenschapper Constantijn Huygens met Susanna van Baerle. De rekening van het ’t Gouden Hooft in Den Haag voor deze drank bedroeg 38 gulden.

Ook was het de gewoonte om de drank voorafgaand aan het huwelijk uit te delen aan vrienden een familie, samen met de bruidsuikers. Uit een rekening uit 1764 blijkt dat bij een bruiloft uit de hogere klasse (kosten zo’n 2700 gulden) bijna 200 gulden werd uitgegeven aan hippocras. Niet alleen aan de drank zelf, maar ook aan de mandflessen waarin de drank aan meer dan 200 mensen werd verstrekt. De helft was hippocras gemaakt van Franse rode wijn, de andere helft van witte Rijnse wijn.

Tegenwoordig bestaat deze traditie niet meer, maar toch is er nog een overblijfsel. De likeur Bruidstranen, ook op smaak gebracht met allerlei specerijen, is een directe afstammeling van de hippocras. En andere verwant is de glühwein.

Recept

Recept hippocras

Zoals gezegd geeft Petronella ons geen recept, maar daar laat uw Archiefkok zich natuurlijk niet door weerhouden. Inmiddels heb ik een database met ruim 5000 verzamelde archiefrecepten en daartussen stonden twee recepten voor hippocras. Onderstaand recept komt uit het archief van de familie Vrolik. Helaas is niet bekend van wie het boekje, dat vanaf 1803 werd bijgehouden, was. Het is een recept voor witte hippocras, want het wordt gemaakt met Rijnse wijn.

Dit recept is voor een stoop wijn, dat is ongeveer 2,4 liter (3 flessen). Dat vond uw Archiefkok iets te veel en onderstaand recept is dan ook gebaseerd op twee flessen wijn.

  • Duitse, lichtzure witte wijn: 2 flessen
  • Kaneelstokjes: 50 gram
  • Gedroogde gember (stukken, geen poeder, bij de toko): 5 gram
  • Kruidnagels: 5 gram
  • Suiker: 1,4 kilo
  • Melk: flinke scheut
  • Schone theedoek of kussensloop

Aan de slag

IMAG5236

Doe de wijn met de specerijen en de suiker in een flinke voorraadpot. Sluit af en laat twee nachten staan. Bewaar de lege flessen.

IMAG5243

Het recept schrijft voor dat we er nu wat zoete melk (da’s gewone melk in tegenstelling tot karnemelk) erbij doen en het mengsel dan zeven. Met dit voorschrift had uw Archiefkok de meeste moeite, maar ik heb me nu eenmaal voorgenomen niet van de oorspronkelijke recepten af te wijken. Toch ging het (lang leve het onderbewuste) in eerste instantie mis. Ik vergat de melk, zeefde de drank en schonk aan de jury. Gelukkig was er nog een fles over dus die heb ik, met zo’n 100 ml melk, opnieuw gezeefd.

Voor het zeven gebruikt u een theedoek of kussensloop die u eerst even in kokend water heeft gedrenkt. Daardoor sluit de stof en werkt deze beter als zeef.

De wijn wordt net zo vaak gezeefd tot deze helemaal helder is. Na twee keer zeven, ziet u nog allemaal stukjes melk in de hippocras zweven. Uw Archiefkok begreep toen meteen waarom we aan Bruidstranen stukjes bladgoud toevoegen. Het resultaat is ongeveer hetzelfde. Nog een keer zeven en de drank is helder.

Giet de wijn na het zeven terug in de flessen (of in nieuwe flessen). De hippocras kan gelijk gedronken, zowel koud als warm.

Proeven

Hippocras

De hoeveelheid suiker die dit recept voorstaat is werkelijk enorm. In de voorraadpot werd bijna de helft van de ruimte ingenomen door de suiker. Wie tijdens de twee dagen en nachten dat de drank staat te trekken, even de deksel opendoet, krijgt dan ook een kruidige maar vooral zoete lucht in de neus.

Bij het zeven van de drank blijft alle suiker in de pot achter, maar dan is het werk voor de smaak al gedaan: hippocras is mierzoet. Maar niet vies. De kruiden zorgen ervoor dat hippocras toch wel stukken beter smaakt dan zoete witte wijn. Dat vond ook de jury, al hoefde niemand een vol glas. Maar dat kan ook te maken hebben gehad dat ik de fles op een doordeweekse dag bij de lunch tevoorschijn haalde. Drinken bij de lunch is nu eenmaal geen Nederlandse gewoonte.

’s Avonds dronk uw Archiefkok een glaasje warme hippocras en dat smaakte wel naar meer. (Zelfs in de versie mét melk, het maakt voor de smaak nauwelijks verschil.) Misschien omdat we aan glühwein meer gewend zijn dan aan koude zoete wijn? Tip voor u: maak hippocras in de winter, gebruik wat minder suiker, maak een lange frisse wandeling en doe daarna uw koude handen en neus tegoed aan een heerlijk warm en kruidig glas wijn.

Links

Archiefstuk waaruit dit recept afkomstig is

Mario Damen deed nader onderzoek naar Hippocras en het huwelijk van Filips de Goede een schreef er een geweldig blog over

Nederlandse vertaling van het kookboek van Apicius

Verslag van het huwelijk van Constantijn Huygens in het Nieuw Nederlands Magazijn

Wiki over hippocras

Kruidtaart voor zes beschaafde personen

Aan het einde van de negentiende eeuw bereikte de industriële revolutie, die ruim een eeuw eerder in Groot-Brittannië was begonnen, Nederland. In de grote steden werd de ene fabriek na de andere gebouwd en van heinde en verre trokken de arme plattelandsbewoners naar de stad op zoek naar een beter bestaan.

Velen van hen kregen spijt van deze beslissing. In de steden was weliswaar werk, maar de omstandigheden waaronder men leefde en werkte waren vaak erbarmelijk. In de fabrieken waren de werkdagen lang, was de lucht slecht en waren de machines zo gevaarlijk dat er elke dag wel ongelukken gebeurden. De achterafsteegjes waar de arbeiders woonden waren overbevolkt en vies en vaak werd er maar net genoeg verdiend om niet van de honger om te komen. Geen wonder dat menigeen aan de drank raakte of minder respectabele manieren zocht om zichzelf van een inkomen te verzekeren.

Het verval van de moraal en de goede zedelijkheid van de fabrieksarbeiders was een doorn in het oog van een andere nieuwe stedelijke bevolkingsgroep: de gegoede burgerij. Deze stand bestond uit mensen die niet afkomstig waren uit rijke families maar die door hun opleiding een betere positie in de maatschappij hadden weten te bereiken. Hun hoogste ideaal was het christelijke gezinsleven en een propere huishouding. Daartoe behoorde ook liefdadigheid.

Omdat deze groep zelf door onderwijs de eigen positie had weten te verbeteren, sprak het vanzelf dat zij ook met behulp van onderwijs de positie van de arbeiders wilde verbeteren. Eén van de eerste initiatieven was de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen die al in 1784 werd opgericht naar het idee van de Edamse predikant Jan van Nieuwenhuijzen. Deze maatschappij stelde zich tot doel het onderwijs aan kinderen te verbeteren en voor iedereen toegankelijk te maken. Het initiatief vond navolging in andere delen van het land en al snel werden er kleuterscholen, lagere scholen en kweekscholen opgericht.

Het initiatief tot verheffing van de arbeidersklasse vond ook zijn weerklank bij maatschappijen met een meer specifiek nut, zoals de Nederlandsche Maatschappij der bevordering van Nijverheid. Deze vereniging, die liefdadigheid niet als oogmerk had, hield zich vanaf de negentiende eeuw ook bezig met goed nijverheidsonderwijs. Dat mes sneed aan twee kanten, want zo voorzagen de nijverheidsbedrijven zichzelf ook van goed personeel.

In 1879 publiceerde deze Maatschappij een artikel over de werkwijze van kookscholen in Engeland en stelde een commissie in om te onderzoeken of zulke scholen in Nederland wenselijk waren. Het eindrapport verscheen in 1882 en was eenduidig: de oprichting van kookscholen zou een einde kunnen maken aan de slechte voeding van de arbeidersklasse. Een huisvrouw met kennis van hygiëne, voedingswaarde en zuinig koken kon immers de positie van haar gezin op meerdere fronten verbeteren. Hetzelfde jaar nog stelde de Maatschappij 500 gulden beschikbaar aan het departement of de vereniging die zo’n school wilde oprichten.

Hoewel er veel animo was, duurde het nog een paar jaar voordat het idee vaste vorm kreeg. Pas in 1885 besloten zo’n veertig Haagsche dames dat zij het initiatief wel wilden nemen. Dat betekende dat zij ook de fondsen bij elkaar moesten krijgen. Overheidsgeld was voor dit soort zaken niet beschikbaar. Drie jaar lang hielden zij inzamelingen, zochten investeerders en wisten zij zelfs van Koningin Emma 500 gulden los te peuteren.

In februari 1888 werden eindelijk de eerste lessen gegeven in het schoolgebouw aan de Stille Veerkade. De opkomst bij de eerste bijeenkomst was groot, hier werd bekend gemaakt wat de school allemaal van plan was. Dat in het onderwijs onderscheid zou worden gemaakt tussen onderwijs aan de werkende stand en aan dames sprak vanzelf. Men wilde voor de eerste een echte leerschool zijn en de tweede zodanig onderrichten dat zij haar huishouden goed zou kunnen leiden. Niemand wilde uitgelachen door een dienstbode wegens gebrek aan kennis.

Onenigheid binnen de directie van de Haagsche Kookschool leidde in 1899 tot de oprichting van een tweede kookschool, later de Kook- en Huishoudschool Laan van Meerdervoort. Deze school bleef tot bestaan tot de Mammoetwet in 1966 er een scholengemeenschap van maakte. De eerste Haagsche kookschool bestond toen al lang niet meer.

In het Haags gemeentearchief zijn de archieven van beide kookscholen samengevoegd tot één archief. Er is heel wat bewaard gebleven: notulen, leerlingenboeken, examenopgaven en (en dat vindt uw Archiefkok het allermooiste) drie handgeschreven kookboeken van leerlingen. Op de eerste bladzijde van één ervan staat de naam Mathilde Stoll en het jaar 1901.

Wie naar deze dame zoekt in de gebruikelijke genealogische bronnen, vindt helemaal niets. Er lijkt in deze periode geen Mathilde Stoll in Den Haag te hebben gewoond. Wie ik echter wel vond was Frederique Mathilde Stoll, in 1901 een zeventienjarige leerlinge van de huishoudschool en vanaf 1908 lerares aldaar. Zij is ook een van de twee schrijfsters van het buitengewoon populaire Haagse Kookboek dat in 2010 voor de 82e keer werd gedrukt. Waarschijnlijk was Mathilde haar roepnaam en is dit haar kookboekje uit de tijd dat ze zelf nog leerling was.

Recept

Recept kruidtaart1
Recept kuirdtaart2

Wie eenmaal iets gebakken heeft naar recept van onze Mathilde begrijpt meteen waarom haar kookboek zo populair geworden is. Alles is werkelijk buitengewoon lekker. Dat geldt zeker voor deze kruidtaart. In het oorspronkelijke recept van de kookschool maakte zij met potlood een paar aanpassingen in de kruiden die deze taart nog beter doen smaken.

  • Zachte (maar niet gesmolten) boter: 125 gram
  • Bruine basterdsuiker: 125 gram
  • Bloem: 125 gram
  • Eieren: 3
  • Krenten: 125 gram
  • Rozijnen: 125 gram
  • Kaneel: 3 theelepels
  • Kruidnagelpoeder: 2 theelepels
  • Verse nootmuskaat: 2 theelepels
  • Mespuntje zout
  • Kleine springvorm (17 cm)

Aan de slag

Ingredienten kruidtaart

Mathilde schrijft ons voor dat we dit deeg maken door flink hard te roeren. Als u toe bent aan een armspiertraining kunt u dat natuurlijk doen. Voor de rest van ons is er gelukkig de mixer.

Week de rozijnen en krenten een uurtje of langer in lauwwarm water, laat ze uitlekken in een zeef en droog ze daarna met een theedoek.

Verwarm de oven voor op 160 graden en vet de springvorm in.

Doe de boter in een kom en mix deze met de suiker tot een zachte massa. Voeg één voor één de eieren toe, dan de bloem en tenslotte de kaneel, kruidnagel, nootmuskaat en het zout. Mix alles goed door elkaar tot een cakebeslag. Roer er tenslotte de krenten en rozijnen door.

Schep het beslag in de springvorm en bak de taart zo’n 45 tot 60 minuten in het midden van de oven. Zorg dat u de spreekwoordelijke breipen (een grote satéprikker) in de buurt hebt om na 45 minuten even te testen of de taart al gaar is. Als deze er droog uitkomt, is de taart klaar.

Laat de taart in de vorm even afkoelen op het rooster en serveer bij een kopje thee.

Aan tafel

Kruidtaart2

Kruidtaart

Heeft u wel eens iets gekookt, het geproefd en vervolgens gedacht: “Heb ik dat echt gemaakt? Kan ik dat?”. Nou dat is precies de sensatie die uw Archiefkok had toen ze deze taart proefde. Bij het uitlikken van de beslagkom had ik al zo’n vermoeden, maar de taart zelf was nog veel beter. Ik moest me dan ook ernstig inhouden om de taart niet zeer onbeschaafd in mijn eentje soldaat te maken in plaats van deze te delen met minimaal vijf andere personen.

Dat delen heeft uiteindelijk wel plaats gevonden en dat was naar groot plezier van de jury. Die bestond alleen uit veel meer dan zes personen en hoopt nu op een reprise en grotere stukken. Die gaat er ook zeker komen in een wat minder beschaafde versie voor twaalf personen. Hoe u dat maakt? Gewoon alles verdubbelen en een grotere springvorm gebruiken. Doe meteen maar, die versie voor zes personen is echt veel te klein.

Links

Archiefstuk waaruit dit recept afkomstig is

Kleine biografie van Frederique Mathilde Stoll

Wiki over de Huishoudschool 

Het Haagse Kookboek tweedehands aanschaffen